Baarnse Literatuurprijs: Huiswaarts

13 augustus 2022 om 08:45 Kunst Baarnse Literatuurprijs

Een druktemaker. Dat had ik verleden week gedacht toen hij deuropening vullend voor me stond, een teer, gebloemd theekopje in zijn hand. ‘Heb je misschien wat suiker voor me te leen, buurvrouw?’ Ik moet hem argwanend en verbaasd hebben aangekeken. ‘Geintje. Ik kom even kennismaken. Niels van Gent. Een week geleden ben ik hier naartoe verhuisd.’ Met het kopje had hij een gebaar naar boven gemaakt. ‘Naar een paleisje op de eerste verdieping.’

Het gebloemde porselein in die grote handen, de donkere haardos, de plat uitgesproken ei, het verbleekte geel-groene shirt en de gebruinde blote voeten in de rafelige badslippers. Mijn oordeel was snel geveld. Een druktemaker, een Hagenees aangespoeld in een vreemde stad. De nieuwe bovenbuurman. Ik had mijn hand uitgestoken en fijntjes gezegd dat ik hem dan nog niet eerder gezien maar zeker al wel gehoord had. En dat ik Lotte heet.

Nu ben ik wakker geworden van stemmen. Gedoe daar buiten, aan de andere kant van mijn slaapkamerraam. Mijn rechterhand strekt zich uit naar mijn telefoon op het nachtkastje. Het scherm licht op. Half vijf. Midden in de nacht wat mij betreft, al lijkt het ochtend zo schemert het. Leunend op mijn ellebogen herken ik nu de harde lachende stem van mijn nieuwe buurman. Zeker op stap geweest. En wat bibberig vrouwengezang.

Mijn nieuwsgierigheid trekt me uit het warme holletje waarin ik, al een eeuwigheid lijkt het, droefgeestige nachten doorbreng en ik trek het gordijn wat opzij. De oude buurvrouw van een paar huizen verderop is de eerste die ik zie. Ze dwaalt af en toe door de straat maar dat ze dat ook ‘s nachts doet, is nieuw voor me. Daar schrik ik van. Mijn nieuwe buurman kon blijkbaar de slaap niet goed vatten in zijn paleisje, heeft haar ontdekt en dwaalt nu een eindje met haar mee in een decor dat bleek wordt verlicht door een ronde volle maan. Of ik echt behulpzaam wil zijn, alleen maar nieuwsgierig ben of dat het komt door dat onzegbare, ik weet het niet maar een paar minuutjes later heb ik me bij het tweetal gevoegd.
Niels kijkt me verbaasd aan. ‘Is het de gewoonte hier om ‘s nachts de straat op te gaan? Of is het deze maannacht?’


‘Kan ik helpen misschien?’ Ik wijs naar de buurvrouw, met ons gevangen in een zacht wit schijnsel.
‘Ze was de weg even kwijt.’ De arm van de oude, broze buurvrouw is nu door de zijne gehaakt en hij haalt haar wat naar zich toe .’Hè buuf?’ Het korte haar van de buurvrouw is glad en wit en steekt af tegen de bruine rimpelhuid van haar gezicht. Onder haar beige regenjas schuifelen twee roze pyjamabenen.
Even kijkt ze onzeker lachend opzij. ‘Hij is een grapjas hoor. Wat zei ie nou?’ Haar stem zwalkt. De buurman geeft me een knipoog en roept in haar oor. ‘Dat je nog zo’n lekker ding bent voor je leeftijd. Je lijkt wel een wit wiefeke zo in de volle maan.’
Ze lacht schalks. ‘Ja, jij bent me er één. Wat zei je nou? Wat zegt ie nou allemaal?’
Voorzichtig neem ik haar andere arm en streel over de blauwe rivieren op haar hand. Buurman Niels pakt de sleutel die met een koordje aan haar jas is vastgespeld en kijkt me vragend aan.
‘Nummer 17 b.’ Ik knik met mijn hoofd naar haar voordeur die hij een ogenblik later opent. Haar beige jas hang ik aan een knaapje aan de kapstok.

Niels buigt zich naar haar over. ‘Zo, en nu niet meer gaan dwalen hoor. Het is vijf uur in de ochtend en een mens hoort op dit tijdstip geen hele expeditie te ondernemen en ook niet zulke ondeugende liedjes te zingen. Maar gewoon in zijn bed te liggen.’

De buurvrouw blijft nog wat onzeker in de gang staan. Dan kijkt ze me aan. ‘Wat zegt ie nou?’
Ik buig me voorover. Mijn mond dichtbij haar oor. ‘Dat het tijd is om te gaan slapen.’ Voorzichtig loop ik met haar mee naar de slaapkamer. Als ze in haar roze pyjama in bed ligt, zwaai ik even naar haar, speld in de gang het koordje met de sleutel weer aan haar jas en loop met de buurman de woning uit.

‘Maandag zal ik haar aanmelden in het wijkteam, kan er contact met de familie worden opgenomen, eens even kijken of er wat hulptroepen moeten komen. Ik ben wijkverpleegkundige.’ Iets in zijn stem raakt me. Haastig knik ik. Alles juicht in mij. Het is de maan. Dit licht, het nachtelijk wakker zijn met deze grote man die me past.
‘O, nou moet je ook nog blozen. Lotte, kom we drinken een kop thee bij mij.’

En dan zit ik even later met opgetrokken knieën op zijn bank in zijn kamer waar alles nog nieuw is, fris ruikt en het enige licht komt van die grote plafonniere in de donkerte buiten. Hier waar het als thuis voelt. Tussen mijn handen is een teer, gebloemd kopje met hete thee. De warme stoom strijkt langs mijn wangen.

Zijn stem is dichtbij. ‘Wil je misschien een beetje suiker in je thee, lieve buuf?’

Mail de redactie
Meld een correctie

Deel dit artikel via:
advertentie