Baarnse Literatuurprijs: Gezamenlijk uitzicht
13 augustus 2022 om 08:45 Kunst Baarnse LiteratuurprijsAls ik naar buiten loop is het donker en zie ik boven de huizen de maan als een grote witte bol die op ons neerziet. Het stelt me op een zekere manier gerust, ook al is het slechts een levenloze metgezel.
Ik stap in mijn kleine wagen, pak het stuur beet en leg mijn hoofd op het stuur. Een korte onderbreking die ik me eigenlijk niet kan veroorloven omdat alle mensen op mijn schema voor elf uur naar bed moeten zijn gebracht. Collega’s van de planning houden geen rekening met stramme botten, nog uit te kijken tv programma’s, tegenstribbelende kousen of gebrek aan parkeerplaatsen. Of zoals vanavond, een vloed van verdriet.
Ik werp een blik op het kleine seniorenhuis waar ik zojuist vandaan kwam. Het bedlampje naast het bed van mevrouw Posthuis gaat uit. Ik start mijn auto en werp nog een laatste blik op het huis. De golf van verdriet stuit op een muur van beton. Ik moet verder, naar meneer Van der Ven.
Het is de laatste keer dat ze hier geweest is. We weten het allebei. Ik hoor dat ze haar auto start en langzaam de straat uit rijdt en ik luister net zo lang tot het geluid wegsterft. Door de kier van het gordijn schijnt het maanlicht naar binnen. Het troost me dat zij diezelfde maan ziet. Ik heb haar nog niet verteld dat de maan langzaam van de aarde weg beweegt omdat het me droevig maakt nu ik het leven langzaam uit me weg voel trekken.
Jarenlang heb ik er naar verlangd. Ik heb heel wat keren in dit bed gelegen en bedacht dat het een mooi moment zou zijn om te sterven. Wat was er nog om voor te leven? Maar iedere ochtend werd ik weer wakker in een eenzame dag. Nu het zover is, voel ik me rusteloos. Alsof mijn leven nog niet klaar is.
Ik wacht voor het verkeerslicht bij een uitgestorven kruispunt. Op andere avonden had ik me vast druk gemaakt om het zinloze wachten. Maar vanavond is alles anders. De maan hangt nu recht boven me en verlicht het kruispunt. Hoewel de maan zelf geen licht geeft, maar zonlicht weerkaatst op de aarde. Een ogenblik twijfel ik of ik om zal keren en toch weer terug naar mevrouw Posthuis zal gaan. Ik kan haar toch niet alleen laten? Niet nu. Maar ik denk weer aan haar strenge woorden die me maanden om haar alleen te laten.
‘Ik ben alleen gekomen en ik ga alleen weer weg.’
Er klonk een vastberadenheid in haar stem die ik niet durfde te weerspreken.
‘Ik ga dan nu. Dan laat ik u alleen. Weet u het zeker?’
Ze pakte mijn hand en knikte naar buiten. Mevrouw Posthuis heeft me geleerd om van de maan te houden. Wassende maan, krimpende maan, volle maan. Iedere avond leerde ze me iets nieuws of vertelde ze me over haar zoon, Johan, de astronaut. Er klonk altijd bewondering door in haar stem als ze over hem sprak. En toch was hij lichtjaren van haar verwijderd vanwege onbeduidende meningsverschillen die explodeerden in stilzwijgende jaren. Over zijn eenvoudige vriendin die ze nog nooit ontmoet had, over de vader van Johan waar ze altijd geheimzinnig over heeft gedaan, over alledaagse perikelen.
‘Moed, alleen.’
Ze had de woorden gefluisterd. Het kostte haar teveel moeite om zinnen te spreken. Maar ik wist wat ze bedoelde. Er is moed voor nodig om alleen te zijn.
Met een schok zie ik dat het verkeerslicht op groen staat. Snel controleer ik de stand van de versnellingspook en trek op. Onderweg naar meneer Van der Ven werp ik meerdere malen een blik op de volle maan, zoekend naar antwoorden. Dan zet ik de auto aan de kant van de weg en pak mijn telefoon. Soms is er nog meer moed nodig om samen te zijn.
Als ik mijn ogen open zie ik een waas. Even weet ik niet waar ik ben. Dan zie ik recht voor me uit een klein streepje licht. Volle maan door de kieren van het gordijn. Ik ben een beetje weg gedommeld, maar ik ben er nog.
De deur van mijn slaapkamer gaat open. Ik ben niet bang.
‘Mam?’
Ik ruik de donkere geur van koffie. Even weet ik niet waar ik ben, ik moet heel diep geslapen hebben. Dan gaat de deur van mijn slaapkamer open en stapt Johan met twee dampende koppen koffie naar binnen. Hij kruipt naast me, biedt me een mok aan en leunt met zijn hoofd tegen het hoofdeinde van het bed.
‘Hoe gaat het met je?’
Het blijft stil. Dan voel ik zijn schouder schokken. Ik pak de kop koffie uit zijn handen en zet ze beiden neer op het kastje naast ons bed. Johan legt zijn hoofd op mijn schouder, ik woel door zijn haar. Het haar van een zoon die afgelopen nacht zijn moeder is verloren.
‘Ondanks onze ruzie… De volle maan…’
Zijn stem brak. Maar ik wist als geen ander dat het uitzicht op een volle maan mensen ruimte en inzicht brengt.
‘Je voelde je met haar verbonden,’ fluister ik.













