Baarnse Literatuurprijs: Sneeuwbol
13 augustus 2022 om 08:45 Kunst Baarnse LiteratuurprijsVader staat breder dan ooit in de keuken. Het is of de tafel en de vier stoelen gekrompen zijn, de aanrechtkastjes grotendeels opgeslokt. Zijn gezicht is rood aangelopen, zijn handen dwingt hij onder zijn oksels. Zwijgend en dreigend als een onweerswolk kijkt hij naar mijn moeder, die een eindje verderop in de kamer haar nagels zit te lakken. Kleine belletjes spuug vormen in zijn mondhoeken als hij begint te praten.
Dit is niet de papa die ik ken. Normaal, als hij thuis komt van een zakenreis, is hij afgepeigerd en gaat naar de slaapkamer om een dutje te doen, wat meestal uitloopt op een hele nacht. Dan is hij vrolijk de volgende morgen en maakt eieren voor mama en mij, hoe we ze maar willen hebben, gekookt, gebakken, gepocheerd, geroerd, met of zonder kaas en tomaten, met of zonder brood. Hij vertelt over zijn reis, over het land waar hij geweest is, wat voor geks hij heeft meegemaakt. Altijd wel iets. En dan lachen we, schaterlachen soms.
Ook brengt hij grappige cadeautjes mee, vooral voor mama haar sneeuwbol verzameling, die staat te glimmen en te glinsteren in een speciaal kastje dat papa voor haar getimmerd heeft, met mooie dunne plankjes.
Als ik me verdrietig voel, pak ik vaak een van die sneeuwbollen en schud die een paar keer flink heen en weer, dan kijk ik naar de dwarrelende sneeuwvlokjes die neerdalen op het figuurtje, diertje, gebouwtje dat daar binnenin gevangen zit en voel me veilig. Papa zoekt geen traditionele uit met kerstmannen en sneeuwpoppen, nee, hij speurt naar bijzondere, merkwaardige, artistieke. We hebben vooral veel dieren want daar is mama gek op, een uil, een eenhoorn, een panda, een zwaan, een ijsbeer, en ook lollige zoals een dronken zeeman of een zwaaiende bezem, je kunt het haast zo gek niet bedenken of we hebben het wel. Mijn favoriet is de huilende wolf bij volle maan.
Ik loop behoedzaam achter vader langs, schuifelend met mijn rug langs de muur en pak de wolf uit het kastje. Ik schud hem tien keer, want zoveel dagen is papa weg geweest, dan kijk ik naar de vlokjes die de wolf langzaam met een wit laagje bedekken.
‘Maak het weer goed,’ fluister ik, ‘maak het weer goed.’
Niemand let op mij. Papa heeft niet eens door mijn haar gewoeld en me ‘piraat’ genoemd zoals hij altijd doet. Mama blijft maar bezig met haar nagels, die veel mooier dan de mijne zijn. De mijne brokkelen af en ik heb last van vervelende velletjes; als ik die eraf bijt of trek gaat het bloeden en doet het pijn. Mama’s nagels zijn lang en perfect van vorm. Iedere week lakt ze ze in een andere kleur, soms alle nagels in een verschillende kleur, soms laat ze iemand een landschapje schilderen op haar nagels. Papa vond dat altijd geweldig, nu staat hij daar te grommen als een tijger.
‘Is het waar, Tanja? Dat wil ik weten.’
Mijn moeder kijkt niet op en houdt haar ogen gericht op die oranje nagels.
‘Verdomme, zeg iets.’
Ik zie dat papa maar wat graag de kamer in wil stormen om mama eens goed door elkaar te rammelen. Hij is als een roofdier, klaar voor de grote sprong, maar hij vouwt zijn armen voor zijn borst en bijt op zijn onderlip.
‘Not in front of the child,’ zegt mijn moeder ineens.
Ze denken dat ik het niet begrijp als ze Engels met elkaar praten en ik snap ook niet alles, maar ik weet wel dat ze mij er niet bij willen hebben.
Zonder daartoe uitgenodigd te worden, maak ik me nogmaals zo klein als een kabouter en sluip achter vaders rug de trap op naar boven, naar mijn kamer.
Het is nog niet eens acht uur, maar ik kruip alvast in bed, maak een lekker holletje en trek het dekbed helemaal over me heen. Toch blijf ik de boze stemmen beneden horen in golfbewegingen, een tijdje is er een kalm, bijna geruststellend gezoem, dan zwelt het aan en schreeuwen ze alleen nog maar tegen elkaar. Daarop volgt een drukkende stilte. Slapen lukt niet meer, ik trek het gordijn opzij en duw het raam een stukje open. Omdat het volle maan is kan ik meer zien dan normaal ‘s nachts, een stuk van de tuin en de straat daarachter. Alles is verlaten, je hoort helemaal niks, zelfs de vogels zijn in diepe rust.
Dan zie ik een schim verschijnen, een man in een donker jack met onhoorbare gympen aan zijn voeten. Er is iets bekends aan de manier waarop hij door de nacht glijdt en zijn hoofd kaarsrecht houdt, maar ik kan hem niet thuis brengen. Hij gaat onder de lantaarnpaal staan die het dichtst bij ons huis is en kijkt ongeduldig om zich heen.
Dan komt mama tevoorschijn in haar gifgroene jas en oranje sjaal. Als ze elkaar onstuimig omhelzen valt de muts van zijn hoofd en zie ik dat het meneer Dekker is, mijn pianoleraar. Hij grijnst tevreden en neemt het koffertje van haar over. Samen wandelen ze de maan tegemoet. Ik jank zachtjes als een jonge wolf.













