Baarnse Literatuurprijs: De grootste verantwoordelijkheid
13 augustus 2022 om 08:45 Kunst Baarnse LiteratuurprijsToen de naald mijn huid raakte, keek ik vlug door samengeknepen ogen naar de baby. Ze lag knus ingepakt in een versleten lap hertenleer in de groentemand, naast enkele knollen rapen en uien, en een tas verse braambessen op haar buik. Nu waren de oogjes nog gesloten maar zo meteen zou ze woelen en krijsen alsof haar leven op het spel stond. Het was voor haar dat ik dit deed. Ik had me voorgenomen niet te schreeuwen om haar niet te wekken en het was me ook gelukt als Roane niet had besloten om de naald opnieuw schoon te branden in het vuur, en hem meteen daarna in mijn borst te boren.
Er welde een blinkende druppel bloed uit iedere wonde. Ze gleden langs mijn hals omlaag en maakten donkere stippen op het doek. Roane klikte afkeurend met haar tong en ik beet op mijn onderlip om geen tweede kreet te geven. De baby -ze had nog geen naam gekregen- stak fronsend een vuistje omhoog, om onmiddellijk daarna de plooien in haar voorhoofd glad te strijken en verder te slapen.
Roane boorde achtentwintig stippen in een kleine cirkel op mijn borstbeen. Ik telde in stille ademteugen met haar mee. Achtentwintig dagen telde de maancyclus, om samen één ronde volle maan te vormen. Ze nam het keramieken schaaltje met tot poeder gemalen houtskool en strooide dit op de wonden. Vervolgens nam ze een schone doek en vermengde het poeder met het bloed op mijn borst, zorgvuldig tikkend en duwend om iedere wonde van het zwart te voorzien. Mijn ontplooiing als moeder. De baby had haar eerste maand overleefd en de tatoeage zou nu voor eeuwig mijn nieuwe status etaleren. De vervolmaking van de cyclus. De grootste verantwoordelijkheid. Ik slikte.
De gerechten stonden in grote houten schalen te dampen in de late namiddagzon. Gebakken patrijs in een stroperige soep van wortelen, rapen en ui werd net als het geroosterde speenvarken besprenkeld met fijngehakte zuring en aangevuld met gekookte tarwe. Ik veegde mijn handen aan mijn schort en aanschouwde lachend onze prestatie. Het feest kon beginnen.
“Airic!” riep ik terwijl ik zwaaiend manoeuvreerde tussen een bende rennende kinderen.
“Alys! Hierheen! Wat een moeite hebben jullie in het eten gestoken, tsk afblijven.”
Ze tikte tegen een besmeurde kinderhand die vliegensvlug naar het voedsel greep en hield de tentflap voor me open.
“Je kleintje vermaakt zich prima, geen reden tot paniek.” Airic had tijdens de voorbereidingen voor het feest de kinderen vermaakt met puzzels van geitenbotjes en graankoeken met gedroogde bessen. Mijn dochter zat in een hoek van de tent met haar stoffen doek te spelen, bovenaan een dikke knoop dat als hoofd moest dienen. Buiten hoorde ik mijn naam roepen, en in plaats van mijn dochter op te pakken glimlachte ik Airic bemoedigend toe en draaide me om. Er werd me een beker dure honingwijn in handen geduwd als dank voor het eten; kruiden als zuring, daslook en paardenbloem waren mijn specialiteit. Ik ging al snel een tweede beker halen.
Bulderend gelach en smakelijk gebabbel in alle tonen vulden de lucht terwijl de donkerte van de nacht werd geweerd met vuurkorven. Een brandende sintel schroeide mijn arm en stamelend en lachend reikte ik voor een druppel honing om op de wonde te smeren. Ik klonk mijn lege beker honingwijn en eiste luidkeels voor een nieuwe.
Een zuigende ademteug van paniek zette mijn longen open en ik voelde me onmiddellijk weer helder. Donat was als laatste opgestaan met de melding dat hij ging slapen en reikte me een hand toe. De stilte om ons heen trok me in een ruk op mijn voeten.
“Mijn kleintje!” riep ik, “waar is ze?”
Donat schudde zijn hoofd. Ik duwde hem opzij en wankelde langs de gedoofde sintels en kommen met etensresten. Het oog van de volle maan gloeide met een koelte die me nog nooit eerder was opgevallen. Mijn belofte, mijn tatoeage, mijn verantwoordelijkheid. Ik rukte de tentflap open en struikelde over de benen van Airic. Ze sloeg me sissend opzij en er klonk een verontwaardigd mopperen van andere stemmen.
“Mijn kleintje,” herhaalde ik, “waar is ze?”
“Niet hier, je bent laat. Iemand anders droeg haar naar bed. Wat heb je gedronken?”
“Wie? Waar?”
“Shh,” snauwde een stem uit de zwarte massa. Ik schudde Airic door elkaar en ze duwde me hardhandig de tent uit.
“Je bent dronken. Je ziet je baby morgen terug.”
Op handen en knieën struikelde ik over resten van het feest, rukte iedere tentflap open, kreeg geen lucht door mijn samengeknepen keel. Overal werd ik verontwaardigd de buitenlucht in geduwd tot ik in de blakende maan bewegende zwarte vlekken begon te zien. Ik viel. Mijn borst raakte de aarde.
Liggend met mijn lippen in het stof hoorde ik een kinderkreet de nacht doorbreken. Strompelend ging ik op het geluid af, blind voelend en tenenstotend naar de donkerste tent in de hoek van het kamp. Het zacht ruisen van de tentflap en een oude vrouw, Roane, duwde me het jankende bundeltje in handen. Ik duwde mijn neus in het naar melk geurende babyhaar en zonk op mijn knieën.













