Bestemming onbekend
12 augustus 2023 om 08:55 Kunst Baarnse LiteratuurprijsIn de stilte van de nacht klinkt de deurbel schel en onheilspellend. Ik haast me in mijn pyjama naar beneden. Als ik de voordeur open, sta ik oog in oog met een man, geheel gekleed in het zwart. Hij neemt zijn hoed af: ‘Wilt u met me meekomen?’
‘Wat heeft dit te betekenen?’ vraag ik.
Het antwoord blijft uit. Hij wenkt gebiedend. Ik vraag hem of ik me mag aankleden en wat spullen kan verzamelen. Hij schudt zijn hoofd en gebaart me nogmaals haast te maken.
In het licht van de straatlantaarns zijn overal schaduwen zichtbaar van zich voortbewegende mensen. Allen lopen dezelfde kant op, mannen, vrouwen en kinderen.
Er is geen verkeer op de weg. De stilte is zo intens en onbehaaglijk dat ik ril. De straten zijn eindeloos leeg. Droom ik?
Na een tocht die uren lijkt te duren, komen we aan bij een verlaten spoorwegstation. Een voor een gaan we door de openstaande poortjes. Mensen drommen samen op het perron. Ik zoek naar informatie over vertrekkende treinen. Tevergeefs.
Er branden geen lichten. Het duurt even voordat mijn ogen gewend zijn aan het donker.
Vanuit een luidspreker blikkert een stem: ‘Wilt u zich alstublieft opstellen in ordentelijke rijen met uw gezicht naar het spoor?’
De massa wordt onrustig. In blinde paniek duwen mensen tegen elkaar aan. Een hand maait fel in mijn gezicht. Dat doet gemeen zeer.
‘Orde, orde,’ vermaant de stem. ‘Gedraagt u zich.’
De menigte murmureert. Een kind huilt hartverscheurend. Een man brult als een gewond dier: ‘Wat is er in godsnaam aan de hand? Waarom hebben we ons in het holst van de nacht als makke schapen laten meevoeren?’ Hij krijgt bijval van de omstanders. ‘Waarom, waarom?’ echoot het overal.
‘Ik gebied u te zwijgen,’ beveelt de stem.
Plotseling waait een ijskoude wind langs het spoor. Niemand durft zich nog te bewegen. De kou dringt via mijn katoenen pyjama door tot diep in mijn botten. Ik huiver en probeer me te warmen aan de mensen die naast me staan. Tevergeefs. Het lijkt alsof ze zijn veranderd in ijsklompen.
Er klinken bazuinen. Ik heb ze nooit eerder gehoord, toch herken ik ze. Klanken van een onaardse schoonheid. Helder, uitnodigend. Even is het perron fel verlicht. Daarna omsluit de duisternis ons weer. Niet het troostende duister van de nacht, maar een sinistere, naargeestige donkerte die je de adem beneemt. Een monster dat je met zijn klauwen bij de strot grijpt.
Dan rollende wielen, het gepuf van een trein die hijgend tot stilstand komt. Onrust deint door de massa, maar niemand beweegt zich.
De stem door de luidspreker voelt als een verlossing: ‘Dit is de laatste trein. U heeft een eenmalige keuze: of u keert terug naar uw oude leven of u stapt in naar een onbekende bestemming. Bedenk goed waarvoor u kiest.’
De menigte spat uiteen. Sommigen verontwaardigd: “wie is verantwoordelijk voor deze misplaatste grap?”; anderen opgelucht “dat werd tijd”.
De meeste mensen rennen weg zonder om te kijken. Een aantal stapt gelaten de trein in; een enkeling blijft dralen op het perron om vervolgens toch nog snel in de trein te stappen.
Ik blijf alleen over. In mijn hoofd raast een wirwar van gevoelens en gedachten. Wil ik terug naar mijn oude leven? Comfortabel en voorspelbaar. Goede baan als manager, een fijn huis met een riante tuin. Ik zal wel gek zijn als ik dit alles achter me laat. En het alternatief? Reizen in een trein met onbekende bestemming. Het noodlot over me afroepen? De geschiedenis tarten? Golven van angst trekken door me heen. Trillend probeer ik me staande te houden.
Een stevige hand op mijn schouder brengt me in het hier en nu. De man met de zwarte hoed knikt me toe. ‘Houd de klok in de gaten. De trein vertrekt over vijf minuten. Als je instapt, mag je de tijd loslaten.’
‘Ik heb niets bij me. Geen geld, geen kleding.’
‘Dat is precies de bedoeling. Op je bestemming zul je alles krijgen wat je nodig hebt.’
Een diepe droefheid bevangt me. Waarom zou ik alles achter me laten? Mijn oude leven trekt aan me met onweerstaanbare kracht. Ik moet terug. Naar mijn familie, mijn vrienden, mijn collega’s. Vooral naar mijn vrijheid.
Alsof de man mijn gedachten leest, zegt hij: ‘Hoe vrij was je eigenlijk echt? Waren het niet de anderen die je keuzes bepaalden?’
Hij neemt de hoed van zijn hoofd en kijkt me indringend aan.
‘En die trein dan? Dan heb ik helemaal geen invloed meer.’
‘Durf je je over te geven? Vertrouw je me?’ vraagt de man.
Hij staat nu op de drempel van het treinportaal. In zijn hand een gouden instrument. De bazuinen klinken opnieuw. Lokkend en dwingend. Net voordat de deuren sluiten, spring ik naar binnen. De trein zet zich in beweging. Tijd en ruimte vervloeien. Een diepe rust daalt bij mij in.













