
Bach Cantorij Baarn verzorgt zaterdag 3 februari concert in Pauluskerk
1 februari 2024 om 06:54 MuziekBAARN Mede dankzij een gift uit het Jan&Janssen Fonds is de Bach Cantorij Baarn komend weekeinde in staat twee bijzondere vespers uit te voeren. Op het programma staan twee cantates die Bach aan het begin van zijn loopbaan componeerde, alsook enkele delen uit het Brandenburgse concert nummer 6. Waarom nu juist deze werken?
door Aleida Hamel
Dat heeft alles met de instrumentale bezetting te maken. Er komen geen eerste en tweede violen aan te pas. We horen lage strijkinstrumenten inclusief twee gamba’s, aangevuld met de ijle klanken van twee blokfluiten in de beide cantates.
Zoals de sneeuw uit de hemel valt. BWV 18, Gleichwie der Regen und Schnee vom Himmel fällt, is gecomponeerd in 1715 voor de tweede zondag voor Aswoensdag. De oorspronkelijke versie schreef Bach voor vier altviolen en continuo. In 1724 voegde hij er in een gereviseerde editie twee blokfluiten aan toe.
Bach schreef zijn 35 kerkcantates uit Weimar (1708-1717) in een nieuwe stijl. De cantates uit Mühlhausen hadden nog een eenvoudige vorm, Bijbelverzen met een koraal er doorheen gevlochten, een geestelijk concert. In die uit Weimar hoor je dat de Italiaanse opera over de Alpen was gekomen en de Duitse kerken was binnengedrongen. De sinfonia waarmee cantate 18 opent, verraadt de Italiaanse stijl die Bach in Vivaldi’s werk zo bewonderde.
De twee bovenste stemmen van de altviolen vertolken het muzikaal betoog, gedragen door de twee andere altviolen en het continuo. En zo geeft de donkerbruine instrumentatie een voorbeeldige illustratie van bar winterweer en neerstriemende sneeuwregen. Tegen dat schilderachtige decor klinkt de tekst van Erdmann Neumeister, die eveneens naar Italiaans voorbeeld de nieuwe cantatevorm lanceerde. Na de sinfonia en het eerste bas recitatief waaraan de cantate haar titel ontleent, volgt het meest opvallende deel van BWV 18. Hier introduceert Bach een volkomen nieuw concept: een lang, door alle instrumenten begeleid recitatief voor bas en tenor, dat viermaal door het koor wordt onderbroken met een heftig ingezette smeekbede uit de Lutherse litanie, telkens afgesloten door de zinsnede ‘verhoor ons, lieve Here God’.
,, De sopraan zingt onverschrokken haar godvruchtig lied
Meteen hierna dan volgt de enige aria van deze cantate. Weg is alle onrust van zojuist. De sopraan zingt onverschrokken haar godvruchtig lied: mein Seelenschatz ist Gottes Wort. Het is haar eerste en laatste woord. De vier altviolen onderstrepen dat statement door eenstemmig te spelen. Duivelse en wereldse listen worden verjaagd, nog een klein beetje drama. De clou is duidelijk: valstrikken zijn alleen gevaarlijk als je ziende blind bent. Het vierstemmig slotkoraal vat de boodschap nog eens fijntjes samen: Wer sich nur festdarauf (Gods woord) verläβt, der wird den Tod nicht schauen.
GODS TIJD IS DE ALLERBESTE TIJD
Met BWV 106, Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit, doen we een stapje terug in de tijd: Bachs korte periode in Mühlhausen (1707-1708). Juist in deze vroege jaren legde Bach het solide fundament voor het beoefenen van het genre cantate, dat hij gedurende het vervolg van zijn leven zou blijven vervolmaken. Kenmerkend voor de vroege cantates is de inbreng van het koor. Het zingt in het begin, midden en einde en verleent de cantates daarmee een natuurlijke structuur. Recitatieven ontbreken en van aria’s in engere zin is nauwelijks sprake. Solistische partijen zijn onderdeel van een voortgaand, modern gezegd doorgecomponeerd verhaal. De ruggengraat is het Bijbelwoord, dat meestal met koraalstrofen wordt aangevuld of omlijst.
CANTATE BWV 106, DE ACTUS TRAGICUS
Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit werd in 1708 waarschijnlijk geschreven voor de rouwdienst van een burgemeester van Mühlhausen, indertijd de op een na grootste en politiek belangrijke stad van Thüringen. Bach gebruikt in BWV 106 de techniek van het affect gebonden componeren. De latere toevoeging Actus Tragicus op het manuscript geeft aan dat het hier eerst om droefheid en vergankelijkheid gaat. Dit raadselachtige werk is symmetrisch van opbouw en valt (net als BMV 18 overigens) uiteen in twee delen. Gebruikt deel één teksten uit het Oude Testament, in deel twee komt de tekst uit het Nieuwe Testament. Er valt een voorgeschreven en dus betekenisvolle generale pauze tussen beide delen. De verpletterend mooie en overbekende sonatine waarmee de cantate opent, is vooral bedoeld om de toehoorder op voorhand gerust te stellen en in de juiste stemming te brengen. Eerst gaan we nog door een diep dal om uiteindelijk in paradijselijke vreugde te belanden. Maar het amen aan het slot, hoe opwaarts ook, eindigt toch op lage noten… met een hemelse knipoog van de blokfluiten.
HET GEHEIM VAN HET AFFECT
Uitgangspunt van alle 17e eeuwse affecttheorieën vormt de verhouding tussen lichaam en geest. Men ging ervan uit dat alle affecten (liefde, haat, angst, droefheid en meer) lichamelijke oorzaken hadden en in het verlengde daarvan hoopte men de geestelijke varianten te ontdekken. Kort door de bocht: de klassieke temperamentenleer vertaald naar de machtige werking van muziek. En dan vooral vocale muziek om in de gemoederen van de luisteraar een gevoelige snaar te raken. Musica pathetica, rond 1700 afgekeken van de theatrale muziek, opnieuw de opera dus, maar binnen de protestantse kerkmuziek ingezet met een verheven doel.
Een goede componist is immers als een goede predikant. Aan de hand van de wetten van de Latijnse retorica componeert ook Bach binnen de harmonie der sferen een welluidend kerkstuk. Met als doel de affecten van de mens uit te drukken en op te wekken. De taak van alle muziek is eerst de schepper te eren en vervolgens de toehoorders niet alleen iets te leren, maar ook te ontroeren. In al zijn werk beheerst Bach deze compositietechniek als geen ander. De Actus Tragicus is er een vroeg en geniaal voorbeeld van. "Ach, Herr, lehre uns bedenken,dass wir sterben müssen.”
De Bach Cantorij Baarn is aanstaande zaterdag 3 februari om 16.30 uur in de Pauluskerk te horen. Toegang gratis, collecte na afloop. Pinnen kan ook. Spreker is emeritus ds. Job de Bruijn. Vocale solisten zijn Marjon Strijk (sopraan), Adrian Fernandes (tenor) en Florian Just (bas). Algehele leiding is in de vertrouwde handen van Boudewijn Jansen.
Een dag later, op zondag 4 februari, is in de Oude Kerk aan de Torenlaan 1 in Soest om 15.30 uur de herhaling te horen.





















