Baarnse Literatuurprijs

Het station van de voltooide verhalen

12 augustus 2023 om 08:38 Kunst Baarnse Literatuurprijs

De oude man zit op het bankje aan het einde van het perron, daar waar de reis begint. Hij was hier al vele malen eerder, maar ik liet hem. Ik gunde hem zijn eigen resterende tijd en keek geduldig toe vanuit de schaduwen.

Ik voel in mijn zak of ik een muntje voor hem heb. Tegenwoordig hebben nog maar weinig mensen cashgeld bij zich.

Het bankje staat in een cirkel van licht, dat aarzelend neerdwarrelt uit de lamp die erboven hangt. De rest van het station is gehuld in het doorschijnende duister van de avondmist. De oude man kijkt even opzij als ik naast hem ga zitten en richt zijn blik dan weer op de rails die verdwijnen in de nevels.

Nacht und Nebel,’ zegt hij opeens. ‘Kent u dat begrip?’

Natuurlijk ken ik dat, het is van alle tijden, maar ik laat mijn passagiers altijd hun verhaal vertellen.

‘Al bijna tachtig jaar kom ik hier nu,’ gaat hij verder zonder op mijn antwoord te wachten. ‘Minstens één keer per week.’

Ik schraap mijn keel. ‘Ik weet het. En nu voor de laatste keer.’

‘Waarom zegt u dat?’

‘Omdat wij nu met elkaar praten. Na tachtig jaar.’

Hij zwijgt even en zegt dan: ‘Ze zeiden dat hij terug zou komen. Misschien met de laatste trein, maar hij zou terugkomen. Ik was vijf en stond hier, op ditzelfde perron, keer op keer, met mijn moeder, onze vingers verstrengeld. Tot haar hand begon te verklauwen en zij zei: Dit heeft geen zin meer. We gaan naar huis.’

‘En u wacht nog steeds op die laatste trein.’

‘Inderdaad,’ zegt hij. ‘Maar nu weet ik zeker dat hij komt.’

‘Waarom bent u daar zo zeker van?’

Hij kijkt weer opzij. In zijn ogen buitelen droefheid en opluchting over elkaar heen. Hij lacht, bijna schalks. Ik lach voorzichtig mee. Ik koester vrolijke passagiers, ze zijn een zeldzaamheid.

‘Zoals ik al zei, ik was vijf. En mijn vader was niet meer dan een schim voor me. Hij zat in het verzet tegen de Duitse bezetters. U zult erover hebben gehoord: onderduikers helpen, aanslagen plegen, liquideren. Al dat. Hij werd verraden. Mijn moeder vertelde mij veel later dat hij zes weken zwaar is gemarteld. En toen hij alle namen had opgehoest met zijn bloed, werd hij op transport gezet. Naar een concentratiekamp in de Elzas.’

‘Een van de Nacht und Nebel-kampen,’ zeg ik zacht. ‘Wie zich verzette tegen de Duitsers werd daar gekooid. Uitgewiste zielen.’

‘Niet allemaal,’ zegt de oude man. ‘Ruim honderd Nederlandse verzetsmensen overleefden die kampen. Zij kwamen in 1945 terug naar huis. Met de trein.’ Hij maakt een breed gebaar, dat het hele station omvat. ‘En hier wachtten wij, mijn moeder en ik, op de terugkomst van mijn vader. We wachtten hier tot de laatste trein zou arriveren. En toen die niet kwam, gingen we naar huis.’

‘Niemand kon u vertellen of uw vader nog leefde? Of hij nog thuis zou komen?’

‘Nee. De Duitsers hielden hun administratie nauwgezet bij, maar rondom mijn vader waren de nevels te dicht en de nachten te donker. Waarschijnlijk ligt hij in een massagraf, zeiden ze bij het Rode Kruis.’

Zijn stem sterft weg.

‘En toen?’

‘Mijn moeder huilde twee dagen. Ze hertrouwde, was redelijk gelukkig - geloof ik - en overleed een paar jaar geleden. Honderd werd ze, op de kop af.’

‘En u?’

‘Ook mij ging het goed. Nooit getrouwd, goede baan, prima pensioen. Mooi huis ook, hier aan het stationsplein. Maar voor mij was het verhaal nooit af.’

‘Het verhaal van uw vader.’

‘Inderdaad. Een goed verhaal kan een open einde hebben, maar het moet wel af zijn. Voltooid.’ Hij gaat moeizaam verzitten, zodat hij me direct aan kan kijken. ‘Vanochtend kreeg ik een brief van het Rode Kruis. Uit de nagelaten dagboeken van een overlevende is gebleken dat mijn vader is overleden aan tyfus. In dat kamp, in januari 1944.’

Ik kuch. ‘Mijn medeleven. Maar zijn verhaal is dus voltooid. Het kan nu eindelijk verteld worden.’

‘Ja, maar aan wie? Wie wil dit nog horen? En ik heb zo weinig tijd over.’

De schorre schreeuw van een stoomfluit wolkt over het perron. Een trein stopt briesend, pal voor ons bankje.

‘Dat verhaal mag u aan mij vertellen. En wij hebben alle tijd van de wereld. Kom.’

We staan op. Als we naar het enige rijtuig achter de locomotief lopen, legt hij zijn hand op mijn arm.

‘Wacht. Ik begrijp nu wie u bent. Maar ik heb geen muntje voor u.’

Glimlachend overhandig ik hem twee van de munten uit mijn zak. ‘Daarmee heb ik al rekening gehouden.’

Hij geeft de munten weer terug. ‘En nu heb ook ik de veerman betaald. Voor mijzelf en voor mijn vader.’

‘De reis tussen leven en dood duurt net zo lang als u zelf wilt,’ zeg ik. ‘Net zo lang als u nodig heeft om het verhaal van uw vader met mij te delen. Het voltooide verhaal.’

‘Dank u.’

‘Laten we snel instappen. Dit is de laatste trein.’

Mail de redactie
Meld een correctie

Christine Schut
Deel dit artikel via:
advertentie