Genesis
12 augustus 2023 om 08:46 Kunst Baarnse LiteratuurprijsIk huil stil mee met het verre gejank. Een wolf? Het heeft geen belang. We zijn geen bondgenoten. Vermoedelijk huilt hij zijn roedel bij elkaar om een sappige reebok te delen. Ik, omdat mijn vangst één miezerige veer omvat. Mijn maag klaagt om de nederlaag.
‘Duiven zijn de ratten van de lucht.’ Ik droog snel mijn tranen. Zita stopt me een handjevol bramen toe. Dankbaar bijt ik een stukje af. Liefst wil ik ze bolletje per bolletje op mijn tong laten smelten. Me langdurig laven aan het heerlijke sap. ‘Dank je, komt er nog een toetje?’ Ze glimlacht, veegt met haar duim een treuzelende traan van mijn gezicht. Gedurende lange tijd zitten we in stilte op het koude gesteente. Maanlicht verzacht de duisternis, wekt de nachtdieren die het bos bevolken. Hun geluiden klinken geruststellend.
‘Vannacht?’ Zita wijst naar mijn rugzak die tegen de rotswand staat.
‘Ja.’
‘Ben je bang?’
Ik knik.
‘Zorg dat je Wenen bereikt. Het verzet zal je op weg helpen naar het Hoge Noorden. Daar ben je veilig.’ Ze neemt mijn handen in de hare. Ze voelen droog, gerimpeld en koud. Deze handen beroerden het leven van ontelbare mensen. In de grot en ver daarbuiten. Zorgend, liefhebbend, sturend. Het besef dat ik ze nooit meer zal aanraken maakt me misselijk. Ik onderdruk een snik. Zij vond me die noodlottige dag, zwervend door het bos. Bood me onderdak nadat de militie mijn vader meenam.
Ik was net twintig. We voelden ons veilig, mijn vader en ik. Diep verscholen in de Ardense bossen, zelfvoorzienend in water, voedsel en elektriciteit. Afgesloten van een wereld die gestaag krankzinniger werd. Ik ontsnapte ternauwernood toen ze binnenvielen.
Weinigen namen de dreiging ernstig in die tijd. Ja, er was de klimaatellende, het gekissebis tussen continenten en een algehele verhuftering van de maatschappij. En nee, niemand keek nog op van het blaffende, polariserende jargon van de rechtervleugel. Stormen in een glas water waarvan je hoopte dat ze op een dag gingen liggen. Dit gif sloop aanvankelijk sluimerend binnen om daarna overvloedig de wereld in te plenzen, meedogenloos. Alsof alle windstreken simultaan aan de grote schoonmaak begonnen.
De kiem rijpte onder de verzengende zomerzon van 2024. Een karavaan van duizenden oosterse vrouwen trok naar Dasht-e Lut in Iran. Het woestijngebied overspoelde met meisjes en vrouwen, verstoken van onderwijs, job en toekomst. Verboden te werken. Onbekwaam, als lid van de maatschappij, als vrouw. Omdat een man dat beslist had. Beelden van vrouwen die zich zij aan zij in de afgrond stortten, gingen de wereld rond. Hun hoofddoeken als kleurrijke, vrije vaandels fladderend in de wind. Ze werden gehoord. Voor het eerst.
In de herfst van datzelfde jaar vochten vrouwen in Afrika over stam- en landsgrenzen heen tegen dezelfde vijand, de man. De monsterlijke architect van de vrouwenbesnijdenis, de roekeloze verspreider van dodelijke geslachtsziekten. Omwille van zwak mannenvlees. Jarenlange zwijgende acceptatie en vernedering eindigden abrupt. Gewelddadig. Echtgenoten vielen dood neer na de maaltijd. Zonen vonden verlamming na het drinken van geitenmelk. Stamhoofden en leiders verdwenen van de ene op de andere dag om nooit terug te keren.
Het Westen reageerde overeenkomstig door de verspreiding van een onbekend virus, woekerend in het leidingwater. Onvruchtbaarheid meanderend onder de bevolking van de voormalige vrije wereld. Een eliminatie zonder aanwijsbare dader. Protesten werden hardhandig neergeslagen door SHE-milities. Geleid door gewetenloze poppenspeelsters, de touwtjes van het wereldtoneel strak in handen. Mannen verloren massaal hun vrijheid. Als onthutst vee naar werkkampen gevoerd. De voorzieningen bestonden reeds, hun geschiedenis vergeten. Opstandige vrouwen verdwenen net zo geruisloos als hun wederhelften.
‘Denk eraan, je eet uitsluitend wat je zelf geplukt of gedood hebt en je … ‘
‘… zuivert steeds het regenwater met houtskool. En ik neem geen snoepjes aan van vreemden.’ Onze ogen rollen gelijktijdig, we lachen. Ze klemt zich tegen me aan, drukt een kus op mijn voorhoofd. ‘Je kan dit,’ fluistert ze in mijn oor alvorens in de donkere grot te verdwijnen.
De rugzak striemt mijn schouders. Twee zonsopgangen zijn verstreken sinds ik de schuilplaats verliet. Ik verstop me achter een struik. Zwaarbewapend patrouilleert een soldate langs de slagbomen.
‘Binnen zitten er nog twee.’ Ik schrik me rot. De vrouw die gehurkt achter me zit, knikt in de richting van het seinhuis. ‘Alexia, zeg maar Lex, eerste sergeant verzetsbataljon Heerlen. Wenen?’ Ik knik. Het donderende geraas nadert, komt fluitend tot stilstand op het kleine perron. ‘NU!’ Gewapende vrouwen bestormen het seinhuis en platform, beschieten de SHE-soldaten die uit de wagons stromen. Het gevecht is kortstondig, bloederig. ‘Kom op,’ roept Lex. ‘Jullie laatste trein naar de vrijheid wacht.’ Met onvaste benen stap ik op, samen met tientallen vrouwen die plots uit het gebladerte barsten. De trein zet zich onder luid gejuich langzaam in beweging. Ik hoor mannenstemmen. Verzet? Bevrijde gevangen? Ik ben te moe om na te denken.
Uitgeput zak ik op een stoel. Het zitje voor me kraakt en wanneer ik mijn ogen open, kijk ik in de mooiste smaragdgroene ogen die ik ooit heb gezien.
‘Hallo, ik ben Adam.’
‘Eva.’













