Het Laatste Oordeel
17 augustus 2024 om 08:54 Overig Baarnse LiteratuurprijsZeg me wat het is, galmt de stem van Frank Boeijen door de speakers. Het ware gezicht van jou.
Piepende remmen zingen na in mijn oren, terwijl zijwaartse krachten me slingerend meenemen in hun dans. Duizenden stukjes glas snijden in mijn gezicht. Ik proef bloed en om me heen hangt een weeïge lucht. Een scherpe pijn golft door mijn lichaam; steeds heftiger...
Tot het vervaagt als een vergeten herinnering.
Mijn schoenen verdwijnen onder een dikke laag mist. Het is donker, stil en ik voel niets: geen pijn, geen honger. Een rode draad cirkelt om mijn pols en mijn handen klemmen zich om een in leer gebonden boek. Op de kaft spellen bronzen letters een woord: gastenboek.
,,Welkom”, galmt een zware stem.
Voor me verrijzen twee poorten: één van goud en één van zwart marmer. Vanonder de eerste stapt een man naar voren. Zijn lichaam is zongebruind en in zijn hand houdt hij een sleutel vast. Ik volg zijn blik en zie bij de andere poort een vrouw staan. Haar gelaat is bleek. Bloedrode lippen vormen een grijns, terwijl ze een schaar om haar vingers draait. Tussen hen in staat een weegschaal; met aan weerszijden twee kommen.
,,Wij zijn Culsans en Culsu.” De man wijst naar zichzelf en dan naar de vrouw: ,,Wij zijn de Poortwachters.”
Culsu stapt naar voren en steekt haar hand uit: ,,Geef me je gastenboek.” Haar jurk golft als de zee en haar haren wiegen heen en weer. Ze ruikt naar honing en gras.
Naar krokusjes.
De geur neemt me terug naar de dag dat Maera overleed. Ik weet nog hoe we haar langzaam in de aarde lieten zakken; naast de gele en paarse bloemen waar ze zo graag haar neus in stak...
,,Wat staat er in dat boek?” Mijn stem klinkt hees.
,,De ervaringen van alle dieren die bij jou te gast zijn geweest.” Culsu pakt het uit mijn handen en zweeft naar de weegschaal. ,,Zij zijn de graadmeter voor de puurheid van je ziel.”
Culsans neemt het boek van haar over. Hij likt aan zijn wijsvinger en bladert door de bladzijdes. ‘Je eerste ervaring is van Maera.’ Mijn hart maakt een sprongetje en even meen ik haar gemiauw te horen. ‘Ze schrijft: Bedankt voor je gastvrijheid. Je hebt mij altijd eten, liefde en bescherming gegeven.‘
De man scheurt de bladzijde uit het gastenboek en legt deze in de kom naast hem. De wijzer beweegt zijn kant op; naar een beeltenis van de zon.
De draad om mijn pols trekt me met een ruk naar achteren. Kort proef ik bloed, voel een scherpe pijn en zie een flits van licht; alsof iemand met een zaklamp in mijn ogen schijnt.
Wat was dat?
Een zangerig gemiauw doorbreekt de stilte.
Zonder na te denken ren ik naar de gouden poort. Vanachter een waas kijken twee ogen me smekend aan. Ik herken ze uit duizenden: één blauw en één geel. Dit is Maera. Mijn kat. Mijn zielsmaatje.
,,De volgende vermelding is van een spin”, onderbreekt Culsu: ,,Zijn verhaal vertelt ons iets anders: Je gilde: ik was allesbehalve welkom. Maar toen ik wilde vertrekken plette je me. Je gastvrijheid was dus beperkt.” Ze bladert door het boek, terwijl van onder haar jurk talrijke zwarte pootjes over de ruimte uitzwermen en zoemende vleugels uit haar haar opstijgen. ,,Zo te zien delen meerdere insecten deze ervaring.”
Culsu legt bladzijde voor bladzijde de ervaringen in de zwarte kom van de weegschaal. Haar donkere ogen fonkelen, terwijl de pijl steeds verder naar rechts beweegt; richting een tekening van de maan.
Tot alleen de kaft nog over is.
Maera jankt. Ze krabt aan de onzichtbare barrière die tussen ons in staat.
Ik kijk van Maera naar de wijzer: onze hereniging lijkt verder weg dan ooit.
Weer trekt de draad aan mijn pols; slapjes deze keer. In de verte hoor ik een autoalarm, gevolgd door het geluid van een tol die door metaal snijdt. Zit ik nog in de auto? Dan hoeft dit niet op deze manier af te lopen: misschien kan ik nog terug om een beter leven te leiden. Ik draai me gehaast om en volg mijn rode levenslijn door het duister; mijn voeten voelen log en zwaar.
Een zuchtje wind streelt langs mijn gezicht; Culsu staat naast me. Met een vlugge beweging knipt ze de draad door: ‘Het aardse leven heeft jou niets meer te bieden. Volg mij.’
‘Maar-’ Ik zie geen uitweg. De gedachte aan Maera breekt mijn hart.
,,Nog één”, zegt Culsans opeens: ,,De inkt is nog vers: Je wilde me ontwijken en hebt mijn leven boven die van jezelf gesteld-”
Het hert op de N-weg. Mijn ongeluk.
De wijzer van de weegschaal krast voorbij de maan tot het langzaam op de zon tot stilstand komt.
,,Ieder mens heeft twee gezichten”, vertelt Culsans, terwijl ik samen met hem door de gouden poort stap. Ik til Maera op. Haar vacht voelt warm, ruikt naar zonneschijn en vibreert zachtjes: ze spint tevreden. ,,Het gaat om het vinden van de juiste balans.”














