Tussen gisteren en morgen
15 augustus 2026 om 08:48 Overig Baarnse Literatuurprijs‘Goedemorgen, mevrouw,’ zegt de verhuizer die in de deuropening staat. Vier andere, robuuste mannen staan achter hem.
‘Willen jullie misschien koffie?’
‘Nee, dank u wel. We hebben op de zaak al een bakkie gedronken.’ Ze stropen de mouwen op. De eerste dozen verdwijnen in de vrachtwagen.
Nauwlettend volg ik hun bewegingen; ik ben misselijk en mijn handpalmen kleven. Koud water helpt niet.
‘Nu is het echt hè?’ Het hoofd van de buurvrouw verschijnt om de hoek van de deur. ‘Maar het is heus de beste keuze.’
Mijn keel is dik.
‘Ik zie je snel, ik zal je niet verder storen.’ De buuf steekt haar duim op en loopt door.
‘Pardon.’ Een verhuizer loopt vlak langs me. De doos die hij draagt, tikt nog net tegen mijn arm. Afwezig wrijf ik over de plek.
Nadat ik van de trap viel, lagen er wekenlang brochures op tafel met informatie over trapliften en gelijkvloerse woningen. Elke traptrede die ik naar beneden liep, gaf me een pijnscheut in mijn knie. Toen gleed ik weer uit.
Toeval bestaat niet, zei Hans altijd. Ooit droeg hij me hier lachend over de drempel.
Mijn adem hangt hoog achter mijn borstbeen.
‘We gaan rijden.’ Een zware rokersstem onderbreekt mijn gedachten.
Nog één keer ga ik naar de schuur. Mijn vingers volgen de krassen op de werkbank van mijn man. Ze blijven er langer op rusten dan nodig. ‘Hans,’ zijn naam lost op in de stilte om me heen. Ik blijf er tot mijn knie protesteert. Als vanzelf loop ik terug naar binnen. In de woonkamer staan slechts de contouren van mijn kast op het hoogpolige tapijt.
Vanaf de stoep kijk ik nog een keer achterom. ‘Dag huis, dag Hans.’ Er komt geen geluid over mijn lippen. Mijn hand komt al omhoog, ik laat hem zonder zwaaien weer zakken.
Ik weet niet hoe lang ik er sta.
Het appartement waar ik ga wonen is niet ver. Daar aangekomen, zoeft mijn donkergroene bank omhoog. De straat wiebelt mee met de verhuislift. Dozen zijn hoog opgestapeld. Mijn spullen. Maar de jas van Hans, die nog altijd op de kapstok hing, komt hier niet. Drie uur later zijn de verhuizers weg. Ik veeg met mijn mouw langs mijn natte gezicht. Geluiden galmen.
Met een glas cola ga ik op de bank zitten. In mijn oude huis kende ik de geluiden van de koelkast en de krakende traptreden. Kippenvel trekt over mijn armen en mijn ogen prikken. Ik streel het gladde hout van mijn nieuwe salontafel.
De deurbel gaat. Ik pruts met de intercom, zie het vertrouwde gezicht van mijn “oude” buurvrouw door de cameralens en open de voordeur nog voor ze aanbelt. Haar bloemige parfum overmeestert de verse verflucht.
Mijn stem klinkt hier anders.
Haar handen grijpen naar de dozen en samen pakken we ze een voor een uit.
Mijn levensverhaal zit erin verpakt. ‘Dit is de Delfts blauwe vaas die ik voor ons trouwen van mijn peettante kreeg.’ Voorzichtig zet ik het porselein op de vensterbank en draai de vaas zodat de barst niet opvalt. Ik bijt op mijn lip. ‘De vaas kon ik nog net opvangen tijdens een stoeipartij met Hans.’
Haar duim volgt de rand. ‘Hier wordt het ook fijn.’ Ze pakt mijn handen vast. ‘Je kunt het, dat weet ik zeker.’
Als we pauzeren, is het al donker.
‘We bestellen pizza, dan kunnen we nog even door.’ De buuf stroopt haar mouwen opnieuw op. ‘Jij was er ook altijd voor mij.’
Ik zoek het lichtknopje aan de muur.
Om tien uur kruip ik onder de wol en wacht op het nachtelijk schommelen dat me meeneemt naar mijn droomland. Ik bedenk ongeschreven lijstjes van wat nog gedaan moet worden; verder uitpakken, boodschappen doen … Het plafond is netjes geverfd; er zijn geen oneffen stukken, zoals in mijn vorige huis. Hans met zijn linkerhanden. Hij floot altijd als hij kluste.
Ik sla de dekens terug en schuifel naar de woonkamer. De meubels vormen onbekende schaduwen. Tantes vaas. Ik zet hem midden op de eettafel, met de barst naar me toegedraaid. Morgen koop ik bloemen. Ik zie mijn mans handen weer voor me en weet nog hoe hij glimlachte als hij een geurend boeket neerzette.
‘Kun jij …?’ Het is of adem langs mijn wang strijkt. Mijn wimpers knipperen snel. De bank is uitnodigend en ik trek een plaid over me heen.
Als ik mijn ogen opendoe, valt het ochtendzonlicht op de vaas.
Tijd voor thee; de mok verwarmt mijn handen.
Ik trek een verhuisdoos naar me toe en vouw de flappen open. Mijn knie protesteert. Het karton kraakt. Er ligt een stapel theedoeken in; de vertrouwde geur van mijn oude huis.
Ik snuif de geur op.
Even verstijf ik.
Mijn huid tintelt.
Dan leg ik ze in de la en pak de laatste foto van Hans, voor op mijn nachtkastje. Ik druk een kus op de lijst. Mijn roodgelakte nagels boren zich in het hout; het veroorzaakt een krasserig barstje.
Werkbank ...
Vaas ...
Lijst …
Toeval bestaat niet.
‘Welkom thuis,’ fluister ik.












