Baarnse literatuurprijs

Rest.

15 augustus 2026 om 08:44 Overig Baarnse Literatuurprijs

Je weet pas wie je ex is als je door haar huis loopt. De filosofieboeken in de kast, de vakantiefoto’s met haar vriend, het sportjackje. Ik had beloofd nergens aan te zitten. ‘Je moet voor drie uur weg zijn,’ had ze gezegd. ‘En laat je sleutel maar op tafel.’ De tafel die eigenlijk te duur was, maar we toch moesten hebben.
Het was dezelfde ruimte, maar alles stond net ergens anders. Het rook zelfs anders, zoeter. Met mijn handen gleed ik langs de muren, grof geschuurd. Wat herinnerde een huis zich? De ruzies, het geschreeuw? Zat er nog iets van onze verwijten in het steen? Verborgen onder de nieuwe kobaltblauwe verf.
Na maanden uitstel gaf ze me een ultimatum. Je haalt het op, of ik zet het op straat. Steeds was er iets tussen gekomen. Werk, een afspraak, geen zin. Ik twijfelde of ik een busje moest huren, maar het viel mee. Toen ik aankwam stonden mijn spullen al in de gang. Drie dozen. Netjes afgeplakt, met op de zijkant een beschrijving van de inhoud in haar keurige handschrift. Boeken. Kleren. Rest.
Het regende toen ik de eerste doos in mijn kofferbak plaatste. Zodra ik met de tweede buiten stond barstte het los. Ik rende naar binnen en wachtte. Kwart voor drie, ik had de tijd. Ik zette water op. De kopjes stonden niet meer op dezelfde plek. Mijn natte voetstappen trokken een modderspoor van de gang naar de keuken. Met een zucht pakte ik een theedoek.
De bel.
Gehaast veegde ik mijn voetsporen weg. ‘Ik kom,’ riep ik. Weer de bel.
Er stond een man voor de deur. Die van de vakantiefoto.
‘Ik…’ Hij kantelde zijn hoofd.
‘Hé.’
‘Hé.’
De regen droop van zijn jas.
‘Is ze thuis?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nog niet.’
Even bleven we zo staan in de portiek, de vieze theedoek nog in mijn handen. ‘Kom binnen,’ zei ik alsof het mijn huis was.
De man aarzelde, maar stapte toen naar binnen. Hij trok zijn jas uit en zette zijn schoenen netjes naast die van haar. ‘Thanks,’ mompelde hij. In de kamer bleven we staan, onduidelijk wie de volgende stap zou zetten.
Buiten bleef het stromen.
‘Thee dan maar?’ zei de man.
‘Ik had net het water opgezet.’
De man liep naar een kast, pakte thee en kopjes. ‘Zoethout?’
Aan tafel zaten we tegenover elkaar. Ik keek uit het raam en wachtte.
‘Zeker vreemd om hier weer te zijn,’ zei de man.
‘Misschien net zo vreemd als voor jou.’
De man lachte. ‘Ik denk het niet. Hoe lang waren jullie samen? Acht, negen jaar?’
‘Tien.’
Hij knikte.
‘En jullie?’ Mijn keel was droog. ‘Hoe lang zijn jullie samen?’
‘Zes maanden.’ Een glimlach alsof hij zich iets herinnerde. Hij pakte zijn thee en slurpte.
Ik hield mijn kopje in mijn handen. Het was nog te heet om te drinken.
‘Voor zover ik hier iets van kan zeggen,’ zei hij. ‘Denk ik dat het goed is wat je doet.’
‘Sorry?’
‘Je spullen ophalen.’
Is dat wat ze tegen hem had gezegd?
‘Het helpt. Anders blijf je zo aan elkaar vastzitten.’
Ik keek hem aan en kneep mijn ogen samen. Hij leek oprecht.
‘Ik dacht dat het anders zou zijn,’ zei ik.
‘Heb je hulp nodig?’ Het duurde even voordat ik begreep dat hij het over de doos in de gang had.
‘Blijf maar zitten.’
Toch stond hij op. Op het tafelblad bleven twee handafdrukken achter.
Ik trok mijn jas tot mijn kin en pakte de laatste doos die nu kleiner leek. In de verte sloeg een klok drie uur. Bij de deur hield hij mij tegen. Even dacht ik dat hij me wilde omhelzen.
‘Ja?’
‘Had je de sleutel nog?’
‘Ah. Natuurlijk.’ Met de doos tegen de wand gedrukt, zocht ik in mijn broekzak.
‘Bedankt voor de thee,’ zei ik toen ik hem de sleutel overhandigde.
Hij knikte en sloot de deur. Door het melkglas bleef een silhouet zichtbaar in de gang.
Het miezerde.
Ik propte de laatste doos in de kofferbak en reed de straat uit. Op de hoek zette ik de dozen neer. Terwijl ik wachtte voor het stoplicht, stopte een oude man bij de dozen. Met zijn wandelstok tikte hij tegen het karton. Getoeter. Ik keek op. Even dacht ik dat het Shila was. Maar achter me toeterde een man. Het was groen.

Mail de redactie
Meld een correctie

Christine Schut
Deel dit artikel via:
advertentie