Baarnse literatuurprijs

Jongens nog

15 augustus 2026 om 08:50 Overig Baarnse Literatuurprijs

Met pitriet hadden we de overlangs gehalveerde bamboestokken kruislings met elkaar verbonden, hadden we met touw daaromheen een ruitvorm gemaakt, hadden we vliegerpapier geknipt en met plaksel om het touw gevouwen als was het een envelop die we dichtplakten. Daarna de staart gemaakt van sisaltouw met drie pollekes gras en tot slot, met een fikse knoop, het vliegertouw bevestigd. De handvaardigheidslessen van de basisschool hadden hun werk gedaan. Maar die basisschool was verleden, morgen zouden we naar het middelbaar gaan: d’n Steef, d’n Dirk, d’n Wout en ik. D’n Steef had het dons al op de wangen; z’n moeder had ‘m al gezegd dat het grasmaaierke hoognodig de schuur uit moest. D’n Dirk wist niet wat ie aan moest met z’n liefke die komend schooljaar nog op de basisschool zou vertoeven. D’n Wout had z’n eerste puistje ontdekt en vreesde voor een gelaat gelijk een stoppelveld. En ik, ik had gefantaseerd over een fata morgana vol palmen en bikini’s.
De laatste vakantiedag. De laatste korte-broeken-dag. De zon stond op zijn hoogst, de thermometer kroop de dertig tegemoet. En nu liepen we daar, de vlieger tussen ons in. We leken op wajangpoppen uit een schimmenspel die eeuwig zouden kunnen voortgaan, de rug lichtjes gebogen, de schoenneuzen vies en vaal. Via bos en hei tot aan het weiland van boer Vercouteren. Daar hield Steef de vlieger omhoog onder een hoek van vijfenveertig graden, Dirk rolde de touwenklos af, Wout detecteerde met zijn natte wijsvinger de juiste windrichting. ‘Zuid twee,’ riep Dirk, maar windkracht twee bleek een vrijwel hopeloze compagnon. Telkens weer hielden we de vlieger hoog boven het hoofd en hakkelden we zo hard mogelijk het weiland over. De vlieger klom weliswaar maar daarna daalde hij nee-schuddend ter aarde. Hij wilde niet mee gaan in ons jongensgemoed. Toen we het vliegerlijf zelve onderhanden namen – we verschoven het touw, we verminderden de bolling, we ontdeden de staart van een pol gras – gaf hij ons een plaagstoot: hij ging fier de lucht in maar dreigde in een pirouette te geraken toen we te hard renden. En toen de wind ietsjes aantrok – aantrekkende wind, noemde Dirk zoiets – bleef de vlieger licht wiegend op zijn plek. Een paar seconden slechts stond hij overeind, toen boog hij zich licht voorover en neigde ter kimme. Eventjes nog richtte hij zich op maar toen zeeg hij neer en legde zich te rusten in het gras. ’t Was tijd om ook ons neer te leggen, ’t was tijd voor d’n boterham.
Toen we plots een licht ruisen hoorden, was het de wind in de boom of was het de boom in de wind, sprongen we op, we hieven de vlieger, stormden met de kop in de wind onverdroten tot aan het prikkeldraad, de touwenklos bovenhoofds geheven als een zegepraal. En daar ging hij, we vierden beetje bij beetje het touw en daar stond hij. We voelden kleine rukjes aan het lichtelijk gebogen touw, we zagen hoe hij kopjes gaf aan het blauw en hoe hij kwispelde. We zeiden niet veel totdat Dirk een blocnote en balpen tevoorschijn haalde. Daarna stuurden we briefjes naar de zon in onbeholpen hanenpoten, als hiërogliefen, als juichkreten van jongensdromen.
Wisten wij veel dat die briefjes later zouden uitgroeien tot liefdesbrieven aan prille meisjesborsten de Zwitsal-geur nauwelijks ontstegen Tot managemenstrapporten voor de stropdassen. Tot bedankjes voor de kleinkinderen.

Mail de redactie
Meld een correctie

Christine Schut
Deel dit artikel via:
advertentie