Tijd te verliezen
15 augustus 2026 om 08:53 Overig Baarnse LiteratuurprijsDertien jaar geleden
Het glas waar Sven uit drinkt, hebben we al jaren. Hij heeft het indertijd meegenomen uit Berlijn, toen hij daar met vrienden was. Terwijl hij nadenkt over zijn volgende zet, stuurt onze dochter me een nieuwsitem door, met de titel “Fontein der jeugd straks realiteit?”
Het artikel is kort en feitelijk. Ik schuif mijn mobiel naar Sven toe. ‘Moet je zien.’
Zijn ogen glijden over het scherm en hij schudt zijn hoofd.
‘Niks voor jou?’ vraag ik lachend.
‘Nooit,’ zegt hij beslist. ‘Dat is voor God spelen.’
Vijf jaar geleden
We zitten in bed. Sven leest in een papieren boek, ik staar naar het scherm van mijn e-reader.
‘Mette overweegt het,’ zeg ik. ‘Die nieuwe behandeling.’
Mette is mijn oudste vriendin. We zijn samen naar de basisschool geweest, hebben samen gestudeerd, samen kinderen gekregen.
Sven haalt zijn schouders op. ‘Moet ze doen.’
‘Het schijnt heerlijk te zijn. Je kunt je beter concentreren en je lichaam voelt weer als nieuw. Stel je voor, dan zou jij weer kunnen gaan hardlopen.’
‘En mijn knieën opnieuw naar de gallemiezen helpen?’ Sven legt zijn boek op schoot. ‘Zou jij het willen?’
‘Nee,’ antwoord ik eerlijk. ‘Misschien ooit. Nu is er nog te weinig over bekend. Over de risico’s. En het is veel te duur.’
Sven kijkt me over de rand van zijn leesbril aan. ‘Als je ooit besluit het te doen, moet je accepteren dat je met een oude man getrouwd bent. Ik laat me niet verjongen.’
Twee jaar geleden
De voorstelling is voorbij. Een lome vermoeidheid nestelt zich in mijn botten. We zitten in de foyer van het theater, rond een lange, donkerhouten tafel. Bij sommige vrienden zie ik zware, hangende oogleden, bij andere een vitaliteit die ik op dit tijdstip niet meer voel. Als Sven en ik straks naar huis rijden, zoeken zij waarschijnlijk een kroeg op.
Mettes haren glanzen kastanjebruin, haar natuurlijke kleur. Haar huid is strak en soepel; ze straalt. Ze ziet me kijken en knipoogt. Onuitgesproken woorden in haar ogen: Waar wacht je op?
Een jaar geleden
‘Ik snap het niet,’ zegt Elin, luid genoeg dat de mensen aan de tafels om ons heen kunnen meeluisteren. ‘Ik snap het gewoon echt niet. Volgens mij is het ook alleen maar koppigheid op dit punt.’
‘Het is een weloverwogen beslissing,’ zegt Sven. Zijn stem heeft iets bijtends. ‘We zijn met zijn allen een onmogelijke samenleving aan het creëren.’
Elin zucht en wrijft met beide handen over haar gezicht. ‘Nu kunnen jullie nog van alles, maar dat wordt minder en minder. En dan gaan jullie dood en dat is zo, zó onnodig.’ Ze gebaart naar de speeltuin, waar ik twee hoogblonde hoofdjes zie oplichten. ‘Kijk naar ze. Als jullie besluiten niks te doen, is dat ook een beslissing om hen niet te zien opgroeien.’
Ik tuur naar mijn kleinkinderen in de verte, met hun waaiharen en tomeloze energie. In hun wereld is iedereen onsterfelijk. Mijn blik verschuift naar Sven. Hij kijkt niet naar de jongens, maar naar Elin, en voor het eerst zie ik iets wankelen in zijn gezicht.
Wat voelt als gisteren
We blijven langer in bed liggen dan normaal. Lepeltje-lepeltje, ik in Svens lichaam gevouwen. Hij aait mijn arm. Morgen drijven we rond dit tijdstip allebei in een mensgroot aquarium, gevuld met een speciale, schuimachtige substantie, die mutaties in onze lichamen herstelt en ons DNA reset. Stukje bij beetje wordt het verouderingsproces teruggedraaid.
‘Hoe voel je je?’ vraag ik op fluistertoon.
Zijn lippen strijken over mijn schouder, over de ouderdomsvlekjes die daar nu nog zitten. ‘Dubbel,’ mompelt hij tegen mijn huid.
‘De kans dat het misgaat, is heel klein.’
‘Weet ik.’
We zwijgen, tot Sven aarzelend zegt: ‘Wat als je me niet meer aantrekkelijk vindt wanneer ik eruitzie als een broekie’
‘Wat?’ Ik draai me naar hem om, zodat onze neuzen elkaar bijna raken. Met een vinger streel ik over een kartelige witte lijn die zijn kaak ontsiert. Kleine oneffenheden schijnen in het schuim te verdwijnen. ‘Het wordt vast wennen,’ zeg ik. ‘Maar we vogelen het wel uit.’
Vandaag
Het bonzen van mijn hart is het eerste wat ik hoor. Daarna het suizen van bloed door mijn oren. Het zoemen van een machine. Ritmisch gepiep.
Er drukt iets op mijn hand. Het voelt klef en vreemd. ‘Mevrouw Zadelhoff,’ vraagt een vrouwenstem ‘Kunt u in mijn hand knijpen?’
Ik probeer het, maar mijn vingers werken niet. De piepjes versnellen. ‘Oh jee,’ zegt een tweede stem. ‘Rustig maar, mevrouw.’
Er prikt iets in mijn arm en het voelt alsof ik langzaam word weggezogen. De stemmen zeggen nog iets, ze klinken bezorgd, maar ik kan me er niet druk om maken.











