Baarnse literatuurprijs

Exodus

15 augustus 2026 om 08:57 Overig Baarnse Literatuurprijs

Wies en ik nemen onze rugzakken. Niemand zegt iets.

Eén gedachte draait als een lus in mijn hoofd: ‘We moeten hier zo snel mogelijk weg.’

Buiten staat de taxi te wachten.

Gisteren werden Wies en ik uitgenodigd voor een bruiloft. Dat is niet ongebruikelijk als je door Iran reist. In het maanlicht dansten we op het ritme van de zurna en de dohol.

Tantes en neefjes schoven aan om een foto te bemachtigen met ‘de westerse gasten’. Ondertussen haalden enkele ooms flessen arak onder de tafel vandaan. Het was laat toen we terugreden naar ons gastgezin. We genoten van de milde nachtlucht, zonder enig benul van het onheil boven onze hoofden.

De woorden van onze gastheer deze ochtend kwamen binnen als een sloophamer: “Israël heeft in de vroege morgen Iran gebombardeerd. Ze hebben verschillende topgeneraals en een aantal kernwetenschappers gedood. Er zijn bombardementen geweest op nucleaire sites. Niemand weet wat er nu gaat gebeuren.” Angst schoot verlammend door mijn lichaam en zakte naar de grond.

Ik voelde alle controle in rook opgaan. Ons lot kan vanaf nu bepaald worden door het slechte humeur van een agent die een wegblokkade bemant.

We besloten te vertrekken. Zo snel mogelijk. Onze gastheer stippelde een veilige route naar het noorden uit. Via omwegen kunnen we de gevoelige gebieden rond Natanz, Isfahan en Teheran vermijden. We hopen zo Armenië te bereiken. Het betekent dagenlang onderweg zijn en hopen dat de grenzen intussen niet sluiten.

We proppen onze rugzakken in de koffer van de witte auto. In het laatste nieuwsbericht werd Shiraz, op zo’n 40 kilometer van hier, getroffen. We zetten een stap in het donker door nu de straat op te gaan. De chauffeur rijdt langzaam de wijk uit en het is opvallend rustig op straat.

“Mijn naam is Sharif,” steekt hij van wal terwijl hij ons een warme handdruk geeft.

“Hallo, ik ben Flo en dit is mijn vriendin Wies. We komen uit België.”

“Hoe is de toestand in Yazd momenteel?” vraag ik onzeker.

Sharif kijkt even in zijn spiegel. “Yazd is heel warm deze tijd van het jaar,” antwoordt hij.

Het blijft even stil. We kijken elkaar aan met een lach op ons gezicht en ontspannen een beetje. Sharif lijkt niet onder de indruk van de gebeurtenissen.

Hij spreekt weinig Engels, maar dat remt hem niet om te praten.

“Kijk, we rijden straks voorbij Persepolis, prachtig toch? Willen jullie niet liever naar Persepolis gaan? Of naar het graf van Xerxes en Darius de Grote?”

“We zijn er al geweest, maar toch bedankt,” lacht Wies.

“We willen eigenlijk zo snel mogelijk het land verlaten,” vul ik aan.

Ik probeer intussen berichten te beantwoorden. Onze gastheer gaf mee dat het internet mogelijk zal uitvallen. Sharif stopt intussen zijn gsm in mijn handen.

“Dit is een foto van mijn vrouw. En dit is mijn zoon,” toont hij. “Hier mijn vrouw en zoon samen. Ik heb ook een dochter. Heel slim. Spreekt goed Engels. We zijn ook niet ver van het graf van Cyrus de Grote. Zijn jullie daar al geweest?”

Ik slaag erin het bericht van Farid te lezen: ‘Ik ben veilig, de radars in onze provincie werden gehackt maar we hebben heel wat aanvallen kunnen onderscheppen. Ik vrees dat dit het begin is van iets groters. We weten niet of de grenzen zullen sluiten, maar onze regio is veilig.’

Sharif blijft vertellen, in zijn moedertaal nu. Dat we slechts flarden begrijpen, deert hem niet. We denken dat hij ons een pruimenplantage wil aanwijzen. Hij stopt even langs de weg en koopt een zak vol verse pruimen. “Hier, voor jullie.”

Dan wordt het stil als we in de verte kijken. We zien verschillende rookpluimen uit een heuvelrug opstijgen. Wies en ik kijken elkaar aan. Intussen rijden we langs de naweeën van een luchtaanval. “Israël?” vraag ik. Sharif knikt. Aan de voet van die smeulende heuvel zien we een kleine tractor door een rijstveld rijden. Zijn banden zakken tot halverwege in de modder en zijn ploeg doorklieft de natte aarde. Intussen brandt de horizon.

We staren zwijgend.

Op de weg bewegen auto’s en vrachtwagens zoals elke dag in het tijdloze ritme dat dit land typeert. Hun bestemmingen lijken ongewijzigd. Raketten op hun land zijn niet nieuw voor hen. Het maakt alles nog vreemder voor ons. Verderop staat een graanveld uit te branden.

Uren later naderen we het einde van de dag. De zon staat laag en zet de zandzee in een koperen licht. Hoe verder we rijden, hoe minder de oorlog lijkt te dreigen. We rollen de woestijnstad binnen. Het leven gaat hier onverstoorbaar verder. Op straat bereiden ze de feestdag Eid al-Ghadir voor en de markt barst van het leven. Je zou geloven dat de nieuwsberichten Yazd nog niet bereikt hebben.

De normale gang van zaken ontspant ons.

Op het plein spelen enkele mannen ‘Nard’, het populairste spel van Perzië. Wie alle pionnen in de eindzone krijgt, wint. Onze pionnen zijn binnen vandaag maar morgen spelen we verder. Richting een grens die misschien open zal zijn. We nemen het laatste avondrood in ons op. Wat morgen brengt, daar denkt hier geen mens aan.

Mail de redactie
Meld een correctie

Christine Schut
Deel dit artikel via:
advertentie