Baarnse literatuurprijs

Voorbij de speeltuin

15 augustus 2026 om 08:36 Overig Baarnse Literatuurprijs

De bus zoemt over het asfalt, alsof er niets is veranderd. Mijn vingers friemelen aan mijn mouw. Mijn moeder kijkt strak naar de horizon. Ik sla een bladzijde van de Tina om, mijn ogen glijden over de plaatjes zonder ze echt te zien. De Amstel meandert als een zilveren draad door het landschap.

‘Mama, ga je nog iets zeggen?’ vraag ik. Meteen voel ik spijt.

Ze forceert een glimlach. ‘Wat zou ik zeggen?’ Haar woorden komen traag. ‘Het is

niet makkelijk.’

Ik knik en vraag me af wat er in haar omgaat.

Joris zit hier al een tijdje. De dokter zegt dat hij dingen ziet die er niet zijn, dat hij bang is, ook voor ons. Mijn moeder knikt alsof ze alles begrijpt.

Buiten schommelen kinderen. Linnaeushof, een speeltuin waar we ooit met school heen gingen, trekt aan ons voorbij. Ik voel een steek; alles lijkt ineens ingewikkeld. De bus neemt de bocht; het psychiatrisch ziekenhuis doemt op. Het gebouw is groot, statig tussen keurig gesnoeide struiken en hoge bomen. De bus stopt met een zucht. Wanneer de deuren openen, ruik ik de frisse lucht.

Binnen slaat de geur van overkookte groenten me in het gezicht. Thuis ruikt het nooit zo. De linoleumvloer piept onder mijn schoenen. Het harde TL-licht zoemt. Mijn moeder loopt strak voor me uit. De bewoners staren langs me heen. Iemand mompelt iets in een kamer verderop. Voor een moment denk ik dat het Joris is.

‘Kom,’ zegt mama, haar stem kort en vast.

Ik volg. Mijn voeten voelen zwaar, ze verzetten zich tegen elke stap. De sociaal werker, een lange man met woeste rode krullen, wijst ons de weg. Daar wacht Joris. Mama ademt diep in, alsof ze zich schrap zet.

Hij zit aan een tafel in de hoek, zijn hoofd gebogen. Zijn ogen zoeken iets wat er niet is. Mijn moeder schuift een stoel dichterbij, haar vingers voorzichtig langs de leuning. Ze raakt zijn arm aan, nauwelijks merkbaar. Hij kijkt naar haar handen, dan kort naar mij, maar ziet me niet echt. Hij heeft het gezicht van mijn broer, maar niet meer zijn blik.

‘Dag Joris,’ zegt mijn moeder.

‘Fijn om je weer te zien.’ Haar stem probeert de afstand te doorbreken.

‘Joris?’ zeg ik zacht.

Zijn ogen richten zich kort op me.

‘Jij bent echt, toch?’ vraagt hij. Zijn stem klinkt schor. ‘Ze zeggen dat ze hier zijn,

maar soms... verdwijnen ze.’

‘Ik ben hier,’ zeg ik.

Hij lacht kort.

‘Dat zeggen ze allemaal,’ zegt hij.

Hij praat in raadsels en staart naar de muur.

‘Hoe gaat het hier?’ vraag ik.

Joris kijkt op, zijn ogen zoekend. ‘Rustig,’ zegt hij. ‘Ja… oké. Of misschien…nee…

het is wel… oké.’

Ze probeert hem op te beuren.

‘Weet je nog dat je die tekenwedstrijd op school had gewonnen? Misschien kun je dat weer oppakken?’

Hij glimlacht kort. Zijn lippen trillen. Hij knikt langzaam.

Ze haalt een pak roze glacékoeken uit haar tas en legt ze voor hem neer.

‘Wil je een koek?’

Joris’ ogen lichten even op, een flits van herkenning. Zijn vingers trillen licht als hij de verpakking openmaakt. De dunne laag glazuur kraakt onder zijn tanden. De smaak van de koek brengt hem even terug.

‘Het smaakt nog hetzelfde,’ mompelt hij.

Mijn moeder probeert te glimlachen, maar het lukt niet helemaal.

‘We missen je thuis,’ zegt ze.

Joris staart naar de tafel. Zijn vingers kruimelen de restjes glazuur bij elkaar. Ze kijkt naar hem, haar ogen vol vragen zonder antwoord.

‘Luister je hier naar de radio?’ vraag ik. Heel even zie ik iets van vroeger – een glimp

van de oude Joris – maar dan is het weg.

‘Ja, maar het is allemaal bagger.’

‘Kom je snel terug?’

‘Misschien.’

Op de terugweg zit mijn moeder stil. Ik zie de speeltuin weer voorbijtrekken. Kinderen lachen en schommelen. Wij rijden al verder.

‘Denk je dat Joris snel beter wordt?’ vraag ik.

Ze kijkt naar buiten, haar blik vast.

‘Dat hoop ik.’

Ik weet niet of ik haar geloof. Ik kijk naar haar handen, samengeknepen in haar schoot. Mijn mond opent zich, maar de woorden blijven steken. De bus rijdt verder. Ik staar naar mijn spiegelbeeld in het raam.

De volgende ochtend voelt alles weer normaal. In de kring op school dringen de stemmen niet tot me door. Ze praten over vakantie en speeltuinen, dingen die ver weg voelen.

‘Wat heb jij gedaan dit weekend, Floor?’

Ik denk aan Joris, de geur van overkookte groenten, de kille muren.

‘Ik ben naar de speeltuin geweest,’ zeg ik. Het rolt over mijn tong en ik voel me

opgelucht. ‘En daarna hebben we een ijsje gegeten.’

De leraar knikt en de klas neemt het zonder vragen aan. Ze praten over vakantie en ijsjes. Mijn hoofd is elders.

‘Hoe was school?’ vraagt mijn moeder thuis.

‘Gewoon,’ zeg ik.

Ze knikt. Dat is alles wat ze moet weten.

De wind ruist door de kastanjebomen. Zoals altijd.

Mail de redactie
Meld een correctie

Christine Schut
Deel dit artikel via:
advertentie