Baarnse literatuurprijs

Alleen vandaag

15 augustus 2026 om 08:51 Overig Baarnse Literatuurprijs

Ze is behoorlijk vasthoudend, mijn zusje. Lief bedoeld, ik snap ‘m, maar ook mega-irritant. Dat het haar nou is gelukt om toch nog te ontsnappen aan het vonnis van onze jeugd (zoals zij dat noemt), dat wil nog niet zeggen dat deze jongen dat ook kan. Of dat ik dat sowieso wil. Zo slecht doe ik het nou ook weer niet. En als ik ergens werk krijg, ga ik vanzelf minder drinken. Maar mijn zus heeft daar dus andere ideeën over en vanavond ga ik mee naar zo’n meeting van haar. Tenminste, dat heb ik gezegd. We zullen zien.

Het begint straks om half acht: er is nog tijd zat om het af te zeggen. Ze zegt dat ik er niks aan kan doen. We zijn erfelijk belast, en dan ook nog die klote opvoeding. Maar ze zegt ook dat ik wel wat kan doen - dus hoe zit dat dan? 

Het ene moment beweert ze dat wij er nooit vanaf komen, en dan weer dat alles anders kan worden. Ik zie het niet. Zij dus blijkbaar wel. Ze is 11 maanden en 8 dagen clean. Ik zie Sjon richting supermarkt sloffen. De loser, zit al jaren in het harde spul. Ik maak me onzichtbaar. Die wil geld van me, hij zegt dat ik hem dat schuldig ben. Hij is zo spaced-out; hij roept maar wat. Ik ben helemaal klaar met hem. Ik stel me opeens voor dat ik het tegen hem zeg: ‘ik ben helemaal klaar met jou! Enmet alles! Ik ga straks naar een meeting en dan wordt alles anders!’ Hij zou stilvallen. 

Maar hij ziet me niet. Hij schuifelt terug naar de steeg waar hij uitkwam, zijn hoofd schommelt als van een gestoorde kameel. Mijn zus zou hem eens moeten meenemen, hij is pas echt ver heen. Maar dat wil ze dus niet. Ze zegt: alleen jij. Jij bent de enige waar ik moeite voor doe. De rest kan ik er niet bijhebben.‘ Waarom ik,’ vroeg ik haar.‘ Omdat jij mijn broer bent,’ zei ze. ‘Omdat ik die keer op jouw schouders mocht paardjerijden. Omdat jij mijn luiers moest verschonen, omdat mamma dat niet deed.’

Ik weet daar niets van. Getverdemme, luiers, terwijl ik maar 5 jaar ouder was. Ik vraag me af of het waar is, of dat ze toch weer loopt te liegen. Misschien staat het in de verslagen van Jeugdzorg die zij laatst heeft teruggelezen. Wat nog niet wil zeggen dat het waar is. Toen die erbij kwamen viel het dus allemaal helemaal uit elkaar. Ieder een andere kant op, en van plek naar plek. Zij, ik, Davie, mamma. Pappa was toen allang verdwenen. Nou ja, genoeg. Zinloos om verder over na te denken. 

En wat ze ook zei, mijn zusje. ‘Omdat jij oké bent. Jij bent oké.’ Alsof zij dat weet! Hoewel. Misschien is zij wel de enige die het kan weten. Intussen sta ik hier al een tijdje voor de supermarkt. Ik moet nog opschieten anders ben ik sowieso te laat voor die meeting. Het boodschappen doen duurt lang. Ik weeg af: de prijs, waar heb ik zin in, wat zou verstandig zijn om te kopen? Kan ik ‘t meejatten of houden ze me in de gaten? 

Uiteindelijk schuif ik alles - brood, chips, pindakaas, bananen en een sixpack bier -netjes langs de kassa. Ik besluit naar huis te gaan om te eten. Wel jammer dat ik dan toch de meeting niet haal. Ik app m’n zussie wel vanuit huis. Maar als ik de supermarkt uitloop staat ze daar. Ze zwaait en lacht. Ze ziet er goed uit de laatste maanden. Ze is ronder, in haar lijf en haar wangen. Haar ogen zijn rustig en aandachtig geworden. 

‘Hey, grote broer! Toevallig dat ik jou hier tegenkom! Wacht, ik moet ook even de winkel in.’ Maar eerst graait ze in mijn boodschappentas en voor ik het weet laat ik me twee dingen ontfutselen. Dan verdwijnt ze in de supermarkt. Met mijn sixpack bieren met mijn bonnetje. Een paar tellen later komt ze triomfantelijk naar buiten met een handvol geld dat ze in mijn jaszak laat verdwijnen. ‘Kom mee,’zegt ze. ‘We nemen die boodschappentas gewoon mee. Dan kan je daar wat eten en dan zijn we precies op tijd.’

Van wat er in de meeting werd gezegd herinner ik me zo goed als niets. Ik heb vooral naar de gezichten zitten kijken. Zo’n veertig mensen waren het: jong, oud, dik, dun, rijk, arm. Niet oké, wel oké. En mijn zusje, stralend ertussen. Trots dat ik naast haar zat, dat merkte ik wel. Maar een ding dat ze zeiden is wel blijven hangen. Het is dus helemaal niet zo dat, als ik hiervan af wil, ik nooit meer mag drinken. Ik hoef alleen maar vandaag niet te drinken. Alleen vandaag. En dat komt goed uit, de dag is al bijna om.

‘Spreken we morgenmiddag nog even ergens af?’ vraagt mijn kleine zusje als we naar buiten stappen. ‘Morgen?’ Ik voel lichte schrik. Ze stompt even tegen mijn arm. ‘Hey, komt goed. Morgen is er weer een vandaag.’

Mail de redactie
Meld een correctie

Cécile Dekkers
Deel dit artikel via:
advertentie