
Toespraak Erik Lans: ‘In het kamp was het leven heel sober en moeilijk’
22 augustus 2025 om 15:30 HerdenkingenBAARN Erik Lans heeft vrijdag 15 augustus, tijdens de Indië-herdenking, een indrukwekkende toespraak gehouden die we hier voor u afdrukken. ,,Tachtig jaar geleden kwam met de capitulatie van Japan een einde aan de Tweede Wereldoorlog. Dit waren roerige tijden. Ik wil u mijn verhaal vertellen. Zoals ik het beleefd heb als kind en later als opgroeiende jongen.”
Ik ben geboren in 1931 in Midden-Java waar mijn vader werkzaam was als geoloog bij de Shell. Als peuter ben ik meerdere malen verhuisd; ook naar Sumatra en Borneo. Overal waar olieboringen verricht werden. Toen ik naar school moest, verhuisde ik met mijn moeder en oudere broer naar Oost-Java bij Kediri, in de buurt van suikerriet ondernemingen.
Ik had een heerlijke jeugd. Ik had een beschermde jeugd. Maar daar kwam plotseling een eind aan bij de inval van Japan op het eiland Java. Toen de Japanners in 1942 binnenkwamen, zaten we verscholen in de huizen, niet wetende wat er gebeuren zou. Nu woonden wij aan een doorgangsweg van Noord-Java naar Zuid-Java. Toen de eerste troepen onze omgeving passeerden, hoorden we verschillende schoten. We schrokken ons dood en we zeiden: ‘Daar zijn ze. Ze komen eraan. Wat gebeurt er met ons?’
Het bleek later dat verschillende soldaten - waarschijnlijk soldaten van de KNIL, het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger - getracht hebben om de Japanners tegen te houden. Wat natuurlijk helemaal niet lukte want de Japanners waren met zo’n grote overmacht. De soldaten die in de weg liepen hebben ze dus gewoon neergeknald. En dat hebben we natuurlijk allemaal gehoord. Verder was er een transport van troepen van Noord-Java naar Zuid-Java, dus van de Javazee naar de Indische Oceaan, met de bedoeling om misschien later richting Australië te gaan. En we hoorden dus de hele nacht door terwijl we verscholen waren in ons huis, het transport langskomen.
Toen dat gebeurd was, toen was inderdaad ons gedeelte, dus Oost-Java, ook gevuld met Japanse soldaten. Daar moesten we eerst wel even aan wennen. Want als je op straat liep en je kwam een Japanse soldaat tegen dan moest je een flinke buiging maken. En wie dat niet deed, kreeg klappen. Ik heb het geweten. Dat zijn enkele dingen die je nooit vergeet.
Aan het begin van de Japanse bezetting werd mijn vader, gescheiden van ons, opgepakt en als gevangene te werk gesteld aan de Pakan Baru spoorweg in Sumatra. Hij is er slecht uitgekomen, maar heeft het gelukkig wel overleefd. Ook mijn oudere broer werd door de Kempeitai, de Japanse militaire politie, opgepakt en afgevoerd, omdat hij in hun ogen iets verkeerd gedaan had. Ik was 11 of 12 jaar toen ik met mijn moeder in een vrouwenkamp terecht kwam.
In het kamp was het leven heel sober en moeilijk. En het eten schaars. De laatste maanden in het vrouwenkamp was ik houthakker en moest onder begeleiding buiten het kamp hout kappen en verzamelen voor de keuken. Dat gaf me ook de gelegenheid om eten binnen in het kamp te smokkelen. Tot het een keer misging. Om een voorbeeld te stellen heeft de kampwacht bij binnenkomst mij flink toegetakeld. Kort daarop verhuisde ik naar het mannenkamp omdat ik 14 jaar werd.
Gedurende de kamptijd kwamen heel veel berichten van buiten binnen. Hoe die berichten binnenkwamen, dat weet ik niet. Zoals informatie over wat er in Europa gebeurde. Heel veel was bekend bij ons. We hoorden ook in 1945 dat een atoombom was gevallen. En dat luidde, zoals we allen weten, de capitulatie van Japan in.
Bij de capitulatie van Japan gebeurde er heel veel: Het einde van de Tweede Wereldoorlog was ook gelijk het einde van het bestaan van Nederlands-Indië, een kolonie gedurende heel veel jaren onder het beheer van Nederland. Twee dagen na de capitulatie, op 17 augustus 1945, werd middels een proclamatie de oprichting van de Republiek Indonesië bekend gemaakt.
Onmiddellijk hierna braken er rellen uit: bekend als de Bersiap-tijd. Jongeren, Pemuda’s geheten, gingen de straat op, gewapend met bamboe speren en richtten zich tegen de buitenlanders, dood en verderf zaaiende. Het was een tijd van geweld en anarchie.
Gelijk met het einde van de Tweede Wereldoorlog gingen de poorten van de Japanse kampen open en we waren vrij om te gaan. We waren echter doodsbang om te vertrekken, want binnen voelden we ons veilig onder de bescherming van de voormalige Japanse kampwachters. Tenslotte moesten we het kamp toch verlaten.
En ja, waar ga heen je als 14-jarige naartoe? Je gaat naar je oude huis toe, waar je gewoond had, in de hoop daar nog familie te ontmoeten. Ik zal u niet omschrijven hoe mijn tocht is geweest van het Japanse kamp naar mijn oude huis. Met allerlei transporten ben ik naar huis gekomen. Ik heb heel nare dingen gezien. Dat zijn beelden, die vergeet je nooit meer. Gelukkig ben ik heelhuids thuisgekomen. Ik heb daar mijn familie weer kunnen vinden: mijn moeder en mijn broer. Maar we hadden niets. En we durfden niet de straat op te gaan. Het is te danken aan onze oude bedienden die daar in de buurt woonden dat die ‘s avonds bij ons kwamen om ons eten te brengen. Deze mensen zijn natuurlijk allang overleden, maar ik zal nooit vergeten wat zij voor ons gedaan hebben.
Kort daarop werden we toch weer opgepikt door dit keer Indonesische militairen. En we gingen weer een kamp binnen. De kampen waar we nu in zaten waren ondergebracht in grote woonhuizen van personeel van de suikerfabrieken. Die stonden in het algemeen vlak bij elkaar. Daar deden ze een hekje omheen en daar zaten we in de woonhuizen. Er waren vijf woonhuizen en per woonhuis waren er ongeveer honderd mensen in het kamp. In tegenstelling tot in de Japanse kampen leefden wij in de Indonesische kampen van 1945 tot 1947 volkomen geïsoleerd. We hadden geen flauw idee wat er buiten het kamp gebeurde.
We zijn zeker 3 à 4 keer van kamp verhuisd. We werden in suikerriet-treinen vervoerd, mannetje naast mannetje, vrouwtje naast vrouwtje. En de bagage ging in de laatste wagon. En zo gingen we van de ene locatie naar de andere locatie. Waarschijnlijk hebben zij gedacht ons verborgen te houden voor de Nederlanders die elders zaten. Tijdens één van de verhuizingen moesten we alle tasjes inleveren met onze laatste kleding. En die hebben ze in de laatste wagon van de suikerriet-treinen gegooid en later gewoon achtergelaten. Toen hadden we niets meer.
Zo hebben we geleefd tot op een gegeven ogenblik het Rode Kruis kwam. Hoe ze ons gevonden hebben, weet ik niet. Maar ze waren er. En het Rode Kruis heeft ons gebracht naar een trein. En wij maakten een treinreis van Oost-Java, dwars door Midden-Java naar West-Java. En toen kwamen we in Jakarta, als één van de laatste transporten uit de kampen. Dat was in 1947. Voor het eerst na zoveel jaren, voelde ik de vrijheid.
Dit is het einde van mijn verhaal en ik vraag u, ter overdenking: op 15 augustus herdenken we het einde van de oorlog in Nederlands-Indië. Maar wat vieren we eigenlijk? Voor velen betekende dat einde geen bevrijding, maar het begin van een nieuwe lange weg. Terwijl Nederland feest vierde, begon bij ons een eindeloze nasleep van ontheemding. Een schrijnender contrast is haast niet denkbaar. Laten we dit nooit vergeten!



















