
Geloven in de jaren 50, de St Nicolaaskerk
8 juli 2026 om 13:07 Cultuur Deel je nieuwsGeloven in de jaren 50
In de jaren vijftig leerde je vooral vertrouwen, ook wanneer je vragen had. Kapelaan Van Wijk van de Sint-Nicolaaskerk in Baarn was een huisvriend. Als mijn moeder wist dat hij zou komen, stuurde ze mij naar de sigarenwinkel en de slijter. Dan moest ik twee Carl Upmann-sigaren en een halve fles Martell *** cognac halen.
Op school was hij echter onze kapelaan.
Die middag hadden we het over de vrije wil.
Kapelaan Van Wijk legde uit dat God almachtig en alwetend is. Hij weet alles. Toch, zei hij, heeft ieder mens een vrije wil.
Ik stak mijn hand op.
“Maar als God nu al weet wat ik later ga doen, hoe kan ik dan nog iets anders kiezen?”
De kapelaan glimlachte.
“Omdat God je die vrijheid heeft gegeven.”
“Maar Hij weet toch al wat ik ga kiezen?”
“Ja.”
“Dan staat het toch al vast?”
“Nee,” zei hij. “God weet het, maar jij kiest.”
Ik schudde mijn hoofd.
“Dat snap ik niet.”
“Dat hoeft ook niet,” zei hij. “Niet alles wat God doet, kunnen wij begrijpen.”
Ik bleef ermee zitten.
De volgende les vroeg ik:
“Stel dat God nu al weet dat ik morgen ga liegen. Kan ik dan morgen nog besluiten het niet te doen?”
Hij zweeg even.
“Jawel.”
“Maar als ik het niet doe, wist God het dan niet verkeerd?”
Hij zuchtte.
“Jongen, je wilt alles met je verstand begrijpen.”
“Maar het klopt toch niet?”
Hij keek me ernstig aan.
“Misschien ben je nog te jong om dat te begrijpen.”
Ik bloosde van schaamte. Was ik nu echt zo dom?
Als biechtvader was Van Wijk milder dan pastoor Kaarsgaren. Die kon zich flink opwinden over mijn zonden. Mijn moeder kreeg ruzie met hem toen hij bezwaar maakte tegen onze protestantse groenteman. Ze gaf hem een stevige uitbrander.
Er waren meer dingen die ik niet begreep.
Waarom stierven jonge kinderen? Waarom kwamen zoveel mensen om bij oorlogen, aardbevingen en, nog maar een jaar eerder, bij de watersnoodramp?
“Dat is een beproeving van Onze Lieve Heer,” leerden we. “Soms ook een straf voor de zonden van de mensen.”
Maar hoe stelt God een baby op de proef? Of een oude vrouw die tijdens de watersnood haar huis en familie verloor?
Ook daarop kreeg ik geen antwoord.
Later zei de kapelaan:
“Een christen staat dichter bij God dan een ongelovige. Wie Christus afwijst, begaat de grootste zonde.”
Ik vroeg:
“Stel dat een christen een moordenaar is. En een ongelovige zorgt zijn hele leven voor arme mensen, zieken en ouderen. Wie is volgens God de beste mens?”
Zonder aarzelen antwoordde hij:
“De christen.”
“Maar die ander doet toch alleen maar goede dingen?”
“Dat is zeker goed,” zei hij. “Maar zonder geloof in Christus kan niemand de eeuwige zaligheid verdienen.”
Ik zei niets meer.
Op weg naar huis bleef één gedachte door mijn hoofd gaan.
Misschien wisten grote mensen ook niet alles.
Voor het eerst begon ik te twijfelen.



















