
Monument voor [Esmée van Eeghen] onthuld
5 mei 2026 om 05:34Het monument is er gekomen op initiatief van onder anderen Hessel de Walle, biograaf van Esmée van Eeghen.
,,Het is kil, pikdonker en stormachtig op de late avond van de zevende september 1944”, zo schrijft Hessel de Walle in zijn biografie van Esmée van Eeghen. Op een verlaten ventweg langs het Van Starkenborghkanaal niet ver van de stad Groningen stopt een zwarte auto van de Sicherheitsdienst. Eruit stappen de gebroeders Faber (Nederlandse SS’ers) en de Duitse SS-officier Ernst Knorr. Plus twee gevangenen: Luit Kremer, lid van het verzet in Drenthe en de uit Baarn afkomstige Esmée Adrienne van Eeghen. Kremer en Van Eeghen krijgen beiden een nekschot. In een boerderij iets verderop zijn de schoten te horen. Esmée en Luit worden na gedane zaken in het kanaal gegooid.
RUIM TACHTIG JAAR LATER Ruim tachtig jaar later staat een groep meer dan vijftig personen op dezelfde plek. De entourage is eigenlijk te mooi voor de gelegenheid: zon, plezierboten op en fris groen langs het kanaal. De belangstellenden zijn gekomen uit Friesland (waar Esmée in het verzet zat), uit Drenthe (het gebied van Luit Kremer), uit Baarn (waar Esmée met haar moeder en diens tweede man woonde), uit Praag (een achternichtje van Esmée), uit Niagara Falls in de VS en Toronto in Canada (kinderen van de halfbroer van Esmée).
Langs de weg staat onder de Nederlandse vlag het te onthullen monument, daarnaast portretfoto’s van Esmée en Luit. Dit monument is mede bedoeld als eerherstel voor Esmée van Eeghen. Haar rol in het verzet was lange tijd omstreden. Niet zozeer in Baarn - haar naam staat sinds 2001 op een plaquette op het vrijheidsmonument op het Stationsplein - maar wel in Friesland.
Esmée groeide op in Bussum en Aerdenhout. Haar vader was directeur van de Amstelbrouwerij, haar moeder was jonkvrouw Miesje van Lennep. Esmée had een jongere broer David. Esmée was acht jaar toen haar ouders scheidden. Haar moeder hertrouwde met Alphert baron Schimmelpenninck van der Oye. Ze kregen een zoon, Sander. In 1935 verhuisde het samengestelde gezin naar Baarn. Ze betrokken het grote huis aan de Spoorweglaan 14 (nu Gerrit van der Veenlaan 14). Esmée en David gingen naar Het Baarnsch Lyceum.
,, Zij vertrok in mei 1943 naar Leeuwarden en sloot zich samen met haar vriendje uit Bussum aan bij het Friese verzet.
Voor het uitbreken en in het begin van de Tweede Wereldoorlog was Esmée leerling-verpleegster en later verpleegster in Haarlem en Amsterdam. Haar broer David ging aan het begin van de oorlog in het verzet. Hij zou in 1945 op de dag van de bevrijding in het kamp Bergen-Belsen door ziekte en uitputting overlijden.
VERZET Esmée ging ook in het verzet. Zij vertrok in mei 1943 naar Leeuwarden en sloot zich samen met haar vriendje uit Bussum aan bij het Friese verzet. Over die periode, die duurde tot halverwege 1944, deden na de oorlog allerlei verhalen de ronde. Deels waar, deels onwaar en vaak met voor de reputatie van Esmée kwalijke gevolgtrekkingen.
In Friesland regelde Esmée onderdak voor Amsterdamse studenten (om aan te werkstelling in Duitsland te ontkomen, doken vele jongemannen onder). Ook bracht ze Joodse kinderen onder bij Friese gezinnen. En zij deed meer. Esmée was een opvallende verschijning. Ze droeg mooie kleren, zag er altijd verzorgd uit en sprak vloeiend verschillende talen, waaronder Duits. De verhalen die na de oorlog over Esmée verteld werden, variëren van bewonderend tot afkeurend. Zo zou zij bij het vervoeren van een koffer vol wapens aan een Duitse officier hebben gevraagd deze langs een controlepost te dragen. Toen Esmée op pad was met een koffer met dit keer bonkaarten en ook gecontroleerd werd, opende zij de koffer en zei met een strak gezicht dat zij vertegenwoordigster was van een papierfabriek en met papiermonsters op reis was.
,, Op 9 augustus 1944 werd Esmée door een vriendin overgeleverd aan de Sicherheitsdienst
Na een paar maanden vertrok haar Bussumse vriend uit Friesland. Na de oorlog werd verteld dat Esmée toen een verhouding zou zijn begonnen met een leider van het Friese verzet en daarna verliefd zou zijn geworden op een Duitse officier. Het eerste wordt door biograaf De Walle ontkracht. En heeft bovendien niets te maken met de vraag of Esmée goed of fout was. Het raakt hooguit aan de morele opvattingen van leden van het verzet. Het tweede was waar. Ze is zelfs bij de Duitse officier ingetrokken en maakte trouwplannen. Dit viel niet goed bij - delen - van het verzet vanwege de mogelijkheid dat Esmée, die goed op hoogte was van de acties van het verzet in Friesland, zaken en personen zou verraden. Die geruchten en gevoelens leidden uiteindelijk tot het verraad van Esmée zelf. Op 9 augustus 1944 werd Esmée door een vriendin overgeleverd aan de Sicherheitsdienst, de SD. Ze werd verhoord in het beruchte Scholtenhuis in Groningen, regionaal hoofdkwartier van de SD.
In het Scholtenhuis werden gevangen verzetsmensen vaak op beestachtige wijze verhoord en tot bekentenissen gedwongen. Waarschijnlijk heeft Esmée deze behandeling niet ondergaan. Zeker is dat zij geen verraad heeft gepleegd. Niet vóór en niet na haar arrestatie.
BURGEMEESTER MARK RÖELL In zijn speech bij de onthulling van het monument langs het kanaal haalt de burgemeester van Baarn, Mark Röell, de Talmoed aan: ,,Een mens wordt pas echt vergeten wanneer zijn of haar naam niet meer wordt genoemd…” Hij maakt een vergelijking met verzetsman Gerrit Coelingh, wiens naam onlangs aan het bevrijdingsmonument in Baarn is toegevoegd: ,,Ook Esmée verdient het dat haar verhaal wordt rechtgezet. En dat haar naam wordt gezuiverd. Want achter elke naam schuilt een mens met een verhaal dat ertoe doet. En zolang dat verhaal niet klopt, blijft er iets knagen.”
,, Her story may never be silenced
Namens de familie van Esmée spreekt Catherine Schimmelpenninck van der Oye uit Canada. Haar vader was de halfbroer van Esmée. Dit monument op de plek waar haar tante werd vermoord, betekent voor de Amerikaans/Canadese tak van de familie erkenning en gerechtigheid: ,,Her story may never be silenced.”
In haar voordracht noemt de locoburgemeester van Groningen Mirjam Wijnja de preek die de dominee uitsprak ter nagedachtenis aan Luit Kremer. In 1945 beschrijft de dominee de nazi’s en hun handlangers als 'pochers over Heldentum die niets anders deden dan de Ware Helden om hals brengen en slechts slaven kunnen dulden'. Daarna legt de locoburgemeester een verband met het heden: ,,Woorden die ons maar al te bekend in de oren klinken. Want ook wij leven in een wereld op drift, met leiders die vereerd willen worden als helden, terwijl ze enkel slaven kunnen dulden.” En zij eindigt met een oproep om - al is het maar in het klein - te handelen:
,,We kunnen mensen die in de verdrukking komen een veilig thuis bieden.
We kunnen ons uitspreken tegen discriminatie en antisemitisme.
We kunnen betrouwbare journalisten en wetenschappers steunen.
We kunnen onze tijd, ons geld of onze vaardigheden inzetten voor anderen.”
Als het monument wordt onthuld en de vlag is verwijderd, blijkt dat de tekst eenvoudig en krachtig is gehouden:
Verzetsmensen
Esmée van Eeghen (26)
en
Luit Kremer (24)
werden hier op
7 september 1944
door de Duitse bezetter
doodgeschoten
Bron: verzetsvrouw Esmée van Eeghen, van een kort leven en een lange weg naar eerherstel, geschreven door Hessel de Walle, uitgeverij Wijdemeer, 2025.





